Biobased bouwen in het onderwijs: ‘Zoek meer verbinding’

“Kijk, dit is een biocomposiet gekleurd met blauwalg, deze schapenwol is een goed alternatief voor purschuim als kierdichting en waarom zou je niet kiezen voor houten nagels?” Max Drath tovert het ene na het andere biobased materiaal tevoorschijn uit de wandkast op het kantoor van Aveco de Bondt – of ecologische bouwmaterialen, zoals hij het liever noemt. In hoeverre is het onderwijs ingericht op deze nieuwe ontwikkelingen? Wat weten en leren studenten over houtbouw en ecologische materialen? De architect en bouwbioloog schetst hoe onderwijs, bedrijfsleven en overheid biobased bouwen samen verder brengen. 

Drath werkt als specialist duurzaam, circulair en gezond bouwen bij Aveco de Bondt en bij verschillende onderwijsinstellingen. Zo is hij onderzoeker bij het lectoraat biobased bouwen van Avans Hogeschool, examinator bouwkunde bij Hogeschool Rotterdam en hybrid teacher aan de TU Eindhoven. Hij speelt een verbindende rol binnen het onderwijs, en tussen onderwijs en bedrijfsleven. “Ik wil mensen meegeven hoe ze kunnen samenwerken in ecologisch bouwen.”

Fotografie: Roos Trommelen

Printen met leem

Want biobased is als begrip niet breed genoeg, vindt Drath. “We hebben ook minerale materialen nodig. Gebruik alles wat uit de natuur komt en laat het daar ook weer terugkomen.” Een goed voorbeeld daarvan is leem. “Als ik een muur met leem stuc, kan ik het later weer met water mengen, van de muur halen en meenemen. Niemand denkt eraan om stucwerk mee te verhuizen, maar het kan”, vertelt hij enthousiast. Die materiaalkennis brengt Drath over op studenten, professionals en bewoners.

“Met Aveco de Bondt ondersteunen wij de natuurlijke renovatie van een wijkcentrum voor en door bewoners. Het gebouw fungeert straks als een soort permanente tentoonstelling over ecologisch bouwen. Wijkbewoners met een achtergrond in de bouw willen we samen met studenten van Avans Hogeschool leemstuc workshops aanbieden. Zo identificeren zij zich meer met het gebouw, leren ze werken met de materialen en kunnen ze een rol spelen bij de renovatie van woningen in de buurt.” In het onderwijs liggen volgens hem veel kansen om de toepassing van leem en andere natuurlijke materialen te vergroten. “We kijken hoe leerlingen zelf kunnen meebouwen aan een houten Regionaal Opleidingscentrum. Daarnaast werk ik samen met een Duitse stichting aan de vertaling van een lesprogramma over leembouw”, licht Drath toe. Andersom leert hij veel van studenten: “Een afstudeerder aan de TU Eindhoven wil een huis printen met leem. Daar weet ik nog niet veel van. Samen kijken we of dat te realiseren is en wat het nut en de voordelen zijn. Ik hoop dat ik dit werk nog lang mag doen, die frisse blik van studenten is heel interessant.”

Leren van studenten

Drath vervolgt: “Studenten mogen out of the box denken, terwijl bedrijven vaak vasthouden aan bestaande ideeën. Jonge makers van materialen vroeg ik eens om te kijken of ze geschikt zijn voor een specifieke constructie. Toen kreeg ik terug: ‘waarom draaien we het niet om? Jij vertelt ons hoe hoog de waardes moeten zijn, dan maken wij materialen met de juiste eigenschappen.’ Die vrijheid moet je gebruiken, dat maakt leren van studenten zo waardevol.”

Die wisselwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven is belangrijk, benadrukt Drath. Hij noemt nog een voorbeeld: “Binnen de minor Innovation studies heeft Hogeschool Rotterdam een soort atelier ingericht, waar studenten werken aan projecten voor de bedrijfswereld. Het is geen hogeschool en ook geen architectenbureau, maar iets er tussenin. Hier studeren mensen af met het idee dat een kanaalplaatvloer van hout wordt gemaakt.” Drath bracht ooit een set houten kanaalplaatvloeren naar constructeurs. “Zij moeten iedere dag zien dat dit bestaat en ze worden er ook enthousiast van. Materialen zien en voelen is belangrijk om mensen te overtuigen en de mogelijkheden van ecologisch bouwen te ontdekken”, stelt hij.

Proefopstellingen

Met proefopstellingen onderzoeken onderwijsinstellingen de werking en eigenschappen van ecologische bouwmaterialen in de praktijk. Drath haalt een paar lopende onderzoeksprojecten aan: “De Hogeschool van Amsterdam heeft een klimaatkamer, waar binnen korte tijd wordt gesimuleerd hoe een materiaal veroudert en er over vijftig jaar uitziet. In Vlissingen staat een container waar je ecologische materialen onder water kunt zetten en ziet hoeveel water ze opnemen en afgeven. Saxion Hogeschool onderzoekt de verschillen tussen dampopen en dampdicht bouwen, en de effecten daarvan op het binnenklimaat.”

“Iedereen start zijn eigen kleine zoektocht op het gebied van ecologisch bouwen, en dat is jammer”, vindt Drath. “We moeten niet tien keer hetzelfde uitzoeken. Er is veel samenwerking nodig om materiaaleigenschappen te onderzoeken. Gelukkig zoeken onderwijsinstellingen elkaar vaker op. Zo heeft Avans Hogeschool een lectoraat Biobased Bouwen en werkt daarin samen met Hogeschool Zeeland, die meer buitenruimte en plek voor proefopstellingen heeft. Niet alle experts zijn verbonden aan één hogeschool of universiteit, ik probeer juist de verbinding op te zoeken. Als we weten wie welk onderzoek doet, kunnen we kijken hoe we elkaar kunnen helpen en hoe we kennis kunnen uitwisselen.”

Internationale samenwerking

Internationaal ziet Drath veel kansen voor samenwerkingen tussen onderwijsinstellingen: “De opleidingen van architecten en bouwprofessionals zijn overal anders. Een Duitse architect spreekt de taal van de constructeur en bouwfysicus, terwijl we in Nederland onderscheid maken tussen de ontwerpende en bouwkundige architect. De kennis uit verschillende landen moeten we samenbrengen. Met een architect uit Limburg probeer ik een driehoek te maken tussen een hogeschool in Aken, een Nederlandse en een Belgische hogeschool.” Zelf heeft hij goede ervaringen met studeren op afstand. “Zo haalde ik mijn tweede master in ecologisch bouwen. Studenten en experts uit verschillende steden en landen kwamen twee keer per jaar samen op locatie en werkten verder digitaal samen. Die manier van werken is een grote kans om kennis van verschillende landen te verbinden.”

Naast nieuwe kennis is een blik op het buitenland ook nodig voor daar beschikbare ecologische materialen, stelt Drath. “In de jaren vijftig waren er snel veel nieuwe huizen nodig en sindsdien is beton in opmars. In Nederland kwam de ontwikkeling van biobased bouwen stil te liggen, terwijl ze in andere landen verder gingen met industrieel én natuurlijk bouwen. Daarom zie je nu dat sommige buitenlandse partijen een stap verder zijn en een grotere productiecapaciteit hebben. Veel mensen stoppen met zoeken naar nieuwe materialen als ze geen fabriek in Nederland vinden, en dat is zonde. We moeten vaker over de grens kijken naar de productie van ecologische materialen, want niet alles hoeft uit eigen land te komen en niet iedereen hoeft het wiel opnieuw uit te vinden. Ik zie niet voor me dat alle producten uit Europa straks ook in Nederland worden gemaakt”, zegt hij.

Van land naar pand

Drath ziet volop mogelijkheden voor een nieuwe keten in Nederland: van land naar pand. “Een nieuwe opgave in Nederland is de samenwerking tussen bouw en landbouw. Onderwijsinstellingen spelen daarin al een grote rol. Studenten van universiteiten en Avans Hogeschool bedenken samen met boeren een tienjarenplan. Boeren weten precies welk gewas in welke periode moet groeien en wat je kunt combineren. Studenten zien kansen om materialen te maken van reststromen uit de landbouw. Dat is een mooie match.” Als we iets willen bereiken met ‘van land naar pand’, zijn kennisinstellingen, ruimte en geld nodig voor fieldlabs, benadrukt Drath. Hij noemt een voorbeeld: “Avans Hogeschool heeft grond gekregen van de provincie Brabant voor een fieldlab. In die provincie vind je de grootste fieldlabs voor ecologisch bouwen waar ze gewassen en landbouwsystemen testen en woningen bouwen met lokale grondstoffen en materialen. Daar kunnen andere overheden een voorbeeld aan nemen.”

Architecten moeten ook hun stem laten horen voor toekomstbestendig en klimaatneutraal bouwen, stelt Drath. Zo ontstond Architects for Future Netherlands, opgericht samen met vijf collega-architecten en geïnspireerd door de Fridays for Future-beweging van Greta Thunberg. “We willen een stichting vormen die onderzoekt wat er nodig is om bedrijven en kennisinstellingen te verbinden, maar ook een stem laten horen en de overheid bereiken. We stimuleren de architecten van morgen om nu te beginnen met klimaatbestendig bouwen. Hoe dat eruitziet, bepalen wij niet alleen. Dat moeten studenten samen met architecten doen.”

Gerelateerd

Building Life ambassadeur Sven ’t Hart is junior adviseur bij adviesbureau Merosch.

'CO2-gestuurd bouwen is nog een relatief onbekend onderwerp'

Intentieverklaring markeert een samenwerking tussen 14 vooraanstaande ketenpartners uit de ontwerp-, techniek- en bouwsector, gericht op de praktijktoets Milieuprestatie Gebouwen (MPG).

Unieke samenwerking tussen ketenpartners voor Praktijktoets MPG

Adviesbureau De Groene Jongens adviseert bedrijven en gebouweigenaren bij hun verduurzamingsprocessen.

Duurzaamheid als hoogste doel: adviesbureau De Groene Jongens wil altijd meer impact maken