Gepubliceerd: 14 september 2026
Leestijd: 9 minuten

Paris Proof 2.0 zet met klassensysteem carbon budget centraal bij bouwopgaven

Aan DGBC wordt vaak gevraagd of rekenen met een carbon budget wel realistisch is. Want de doelen zijn zo lastig te behalen. Of we niet wat soepeler kunnen omgaan met onze Paris Proof-eisen.

Vanuit het perspectief van de huidige bouwpraktijk snappen we deze vraag. Vanuit een klimaatgedachte is er echter geen ruimte voor versoepeling. Het resterende carbon budget is namelijk de directe vertaling van een grens aan wat de wereld aankan voordat zij opwarmt. Gaan we in de wereld die grens over, dan krijgen we in Nederland bij elke tiende graad opwarming meer hitte, drogere zomers, nattere winters, extremere buien, zeespiegelstijging en hogere klimaatkosten. We hebben net de droogste zomer ooit gemeten achter de rug. De effecten ervan hebben we ondervonden. En natuurlijk kan de Nederlandse bouwsector het klimaatprobleem niet alleen oplossen. Wat we wel kunnen doen, is ons richten op ons aandeel.

De harde boodschap is dat, als we binnen de 1,5 graden opwarming van de aarde willen blijven, we niets nieuws meer kunnen bouwen in Nederland. Dat heeft het Nederlands Instituut voor Bouwbiologie en Ecologie (NIBE) onderzocht, in opdracht van Dutch Green Building Council (DGBC). 5 jaar geleden, in 2021, stelde DGBC in samenwerking met NIBE het ‘materiaalgebonden CO2-budget’ vast voor de Nederlandse bouw- en vastgoedsector. Dit carbon budget is de hoeveelheid CO2 die de sector nog maximaal kon uitstoten om binnen de 1,5 graden opwarming van de aarde te blijven, zoals afgesproken in het Parijsakkoord van 2015. Dit budget is nu, 5 jaar later, zo goed als op.

Eind 2025 hebben we daarom een klassensysteem toegevoegd aan deze budgetbenadering. De emissieruimte verandert niet, wel het verhaal erachter. We hebben er lang over nagedacht. In deze paper leggen we uit wat dit betekent en waarom we deze keuze hebben gemaakt.

Iedere tiende graad telt

Allereerst over de gevolgen van mondiale temperatuurstijging voor de bouwsector. Bij een stijging van 1,5 graden zijn de gevolgen al merkbaar. En bij iedere extra tiende graad wordt de kans op extremen groter en worden bestaande kwetsbaarheden sterker zichtbaar. De mondiale klimaatprojecties van het IPCC zijn voor Nederland vertaald naar KNMI’23-klimaatscenario’s. Dit zijn scenario’s voor het toekomstige klimaat, met temperatuurstijging, zeespiegelstijging, drogere zomers, nattere winters en een toename van extreme zomerbuien. In die scenario’s staan ook de effecten voor de bouwsector beschreven. Hoe hoger de temperatuur, hoe groter de effecten voor de bouwsector. Denk daarbij aan onze waterveiligheid, funderingen, gezondheid, energievoorziening, betaalbaarheid en verzekerbaarheid. De richting is helder: een warmer klimaat vraagt om meer adaptatie, meer ruimte voor water, robuustere gebouwen en een andere manier van plannen.

Wereldwijde opwarmingEffect voor NederlandEffect voor de bouwsector
1,5 gradenKlimaatrisico’s zijn al zichtbaar: meer hitte, vaker droogte, intensere buien en stijgende zeespiegel. Dit is geen veilige wereld, maar wel de grens waarbij veel risico’s nog relatief beter beheersbaar blijven.Bouwen moet al klimaatadaptief en emissiearm worden. Materiaalgebonden emissies moeten snel omlaag, omdat het resterende budget zeer klein is.


1,7 gradenDit sluit aan bij het lage KNMI-scenario rond 2100. De verandering is substantieel: Nederland moet zich minimaal voorbereiden op hogere temperaturen, zeespiegelstijging en extremer weer.Een routekaart moet niet alleen kijken naar haalbaarheid vandaag, maar ook naar wat minimaal nodig is om de schade en toekomstige aanpassingskosten te beperken.

2,0 gradenDe marge voor adaptatie wordt kleiner. Hitte, wateroverlast, droogte en zeespiegelstijging worden grotere systeemrisico’s voor stedelijke gebieden en infrastructuur.Ruimtelijke keuzes en materiaalkeuzes worden sterker gekoppeld aan klimaatrisico. Nieuwbouw die nu CO2-intensief is, vergroot toekomstige kwetsbaarheid.
2,5 gradenRisico’s stapelen zich: hogere koelvraag, druk op het elektriciteitsnet, funderingsschade, meer wateropgaven en grotere investeringen in bescherming en herstel.De bouwsector krijgt dan te maken met tegelijk reduceren, aanpassen en herstellen. Dat maakt te laat handelen duurder en maatschappelijk risicovoller.

3 graden en hogerKlimaatverandering wordt een dominante randvoorwaarde voor waar en hoe Nederland kan wonen, werken en investeren.


De vraag verschuift van optimaliseren binnen bestaande systemen naar fundamentele herziening van bouwen, ruimtegebruik en materiaalstromen.

Bronnen: KNMI, KNMI’23-klimaatscenario’s, IPCC AR6 Synthesis Report

De KNMI’23-scenario’s en de syntheserapporten van het IPCC laten zien dat we ons in Nederland deze eeuw zullen moeten aanpassen aan een fundamenteel ander klimaat dan waarvoor het land oorspronkelijk is ontworpen. De adaptatiemaatregelen die we moeten treffen vragen investeringen, materialen en mankracht voor de bouw zelf. Denk aan hogere dijken, waterbergingsvoorzieningen, funderingsherstel, hittebestendige wijken en robuustere infrastructuur. Al die maatregelen veroorzaken zelf óók uitstoot. Hoe hoger de mondiale opwarming, hoe groter deze adaptatieopgave wordt. Daarmee wordt een directe relatie tussen mitigatie en adaptatie zichtbaar: iedere ton CO₂ die we vandaag vermijden, verkleint de toekomstige opgave om Nederland aan een extremer klimaat aan te passen.

Over het principe achter het carbon budget en het belang van tussendoelen

Het carbon budget is de totale hoeveelheid CO2 die de wereld nog kan uitstoten, voordat een bepaalde temperatuurgrens waarschijnlijk wordt overschreden. De opwarming van de aarde hangt in sterke mate af van de cumulatieve hoeveelheid CO2-emissies in de atmosfeer. Daarmee is ook van belang hoe snel we onze CO2-uitstoot kunnen terugdringen. De snelheid waarmee we nu als sector onze uitstoot terugbrengen, bepaalt hoeveel ruimte er nog is voor investeringen en aanpassingen in de toekomst om Nederland leefbaar te houden.

Het resterende carbon budget gaat daarom niet alleen over het voorkomen van verdere klimaatverandering, maar óók om het zo veel mogelijk beperken van deze toekomstige adaptatieopgave. Wachten we tot het laatste moment, dan is er in de toekomst geen ruimte meer voor herstel. Daarom zijn tussendoelen nodig die de routekaart richting het einddoel 2050 uitstippelen.

Aan welke knoppen kunnen we draaien?

Het IPCC heeft de klimaatscenario’s gecategoriseerd in verschillende resterende carbon budgetten voor verschillende temperatuurgrenzen, met daarbij een kans voor het behalen van het betreffende doel. Hoe meer risico’s worden genomen in de uitstoot van CO2, hoe kleiner de kans dat doelen worden behaald. DGBC heeft in 2021 het Paris Proof materiaalgebonden budget vastgesteld aan de hand van het IPCC wereldwijde budget zoals dat in 2020 bekend was. We maakten de keuze ons te verhouden tot het 1,5 graden budget met een kans van 67%. Wij vinden die keuze voor de gebouwde omgeving logisch, omdat gebouwen lang meegaan en ontwerpkeuzes die vandaag worden gemaakt nog decennia doorwerken.

Temperatuurlimiet50% kans67% kans83% kans
1,5 graden500 GtCO2400 GtCO2300 GtCO2
1,7 graden850 GtCO2700 GtCO2550 GtCO2
2,0 graden1350 GtCO21150 GtCO2900 GtCO2

Bron: IPCC AR6 WGI remaining carbon budgets met data uit 2020

De mondiale context maakt het budget kleiner

Sinds 2021, toen we ons Paris Proof carbon budget introduceerden, is de wereld veranderd. Of beter gesteld: niet veranderd. De uitstoot blijft wereldwijd hoog, waardoor de opwarming van de aarde versnelt. Recente updates van klimaatindicatoren laten zien dat het resterende budget voor 1,5 graden veel kleiner is geworden. Volgens de dit jaar gepubliceerde Indicators of Global Climate Change-update met data over 2025 is de centrale schatting van het resterende 1,5 graden-budget vanaf begin 2025 ongeveer 80 GtCO2 bij dezelfde kans van 67%. Dat is een groot verschil met de eerder berekende 400 GtCO2. Bij het huidige mondiale emissieniveau is het budget eind 2027 op.

Temperatuurlimiet50% kans67% kans83% kans
1,5 graden130 GtCO280 GtCO210 GtCO2
1,7 graden500 GtCO2390 GtCO2250 GtCO2
2,0 graden1050 GtCO2860 GtCO2600 GtCO2

Bron: Indicators of Global Climate Change 2025 update

Deze razendsnelle verschuiving maakt klip en klaar dat we in Nederland niet kunnen wachten tot de wereld als geheel versnelt. De verschuiving vraagt eveneens een verantwoordelijkheid van sectoren die langdurige effecten hebben. Zoals de bouwsector. Elke keuze voor nieuw materiaal, iedere extra vierkante meter en elk uitgesteld reductiebesluit draagt bij aan klimaatverandering.

Verder maakt de mondiale context het steeds meer een strategische prioriteit om nu te reduceren. Energiezekerheid, grondstoffenzekerheid en geopolitieke concurrentie zijn sterker op de voorgrond gekomen. Kritieke materialen voor de energietransitie staan hoger op de beleidsagenda door de stijgende vraag, geopolitieke schommelingen en bijbehorende machtsverhoudingen, logistieke uitdagingen en prijsschommelingen. Dat betekent dat verduurzaming niet alleen een klimaatopgave is, maar ook een strategische opgave voor zelfstandigheid, leveringszekerheid en betaalbaarheid.

Toe naar een klassensysteem met hetzelfde budget

Wat betekent dit alles voor het materiaalgebonden CO2-budget dat we 5 jaar geleden introduceerden en nu nagenoeg op is, als we afgaan op de laatste budgetten van de Indicators of Global Climate Change? We realiseren ons dat een ambitie die door bijna niemand gehaald kan worden, zijn doel voorbij schiet. De boodschap ‘geen ruimte meer’ motiveert partijen niet tot slimme ontwerpkeuzes, innovatie en ook financiële investeringen. En als niemand het protocol meer gebruikt, heeft het protocol ook geen functie meer. Tegelijkertijd is de budgetbenadering relevanter dan ooit: ze maakt zichtbaar hoeveel emissieruimte er nog is en dwingt de sector om reductie te koppelen aan de fysieke grenzen van het klimaat.

Daarom hebben we gewerkt aan een geactualiseerde Paris Proof-materiaalgebonden benadering. We tornen niet aan de budgetten. Want die liggen vast. Alleen gaan we niet enkel uit van een grenswaarde, maar ook van het verhaal achter die grenswaarde. We stellen de nieuwe vraag welk klimaatrisico we accepteren. Vervolgens onderzoeken we welk mondiaal budget daarbij hoort. Daarna stellen we vast welk eerlijk aandeel Nederland krijgt en welk aandeel bij de bouwsector past. Pas dan volgt de vertaling naar gebouwtypen en naar kg CO2-eq per vierkante meter. Zo wordt duidelijk dat Paris Proof geen losse marktstandaard is, maar een vertaling van een resterend klimaatbudget naar ontwerp- en investeringskeuzes.

Het CO2-budget voor de bouw

Temperatuurlimiet -> Mondiaal budget ->Nederlands aandeel ->Budget voor de bouwsector -> Budget per gebouw

We introduceren hiermee een klassensysteem. Dit systeem bouwt voort op de oorspronkelijke Paris Proof-grenswaarden en maakt zichtbaar welke projecten vooroplopen binnen de huidige marktcontext. Met deze methode zeggen we niet dat de klimaatopgave kleiner is geworden, maar we laten met de introductie van de klassen ook de realiteit zien waarin de sector opereert. Dit staat in het nieuwe protocol 2.0. De opgave blijft om materiaalgebonden emissies zo snel mogelijk terug te brengen. Het verschil is dat het protocol 2.0 met klassen de nadruk legt op het continu verbeteren en versnellen van reductie, in plaats van enkel te fixeren op een grenswaarde die door vrijwel niemand meer bereikt kan worden.

Conclusie

De vernieuwde carbon budgetbenadering legt een fundamentele keuze bloot. Omdat de emissieruimte klein is, verschuift de prioriteit van uitbreiden naar beter benutten. Renovatie, transformatie, optoppen, delen van ruimte, intensiever gebruik van bestaande gebouwen en circulair materiaalgebruik worden niet langer aanvullende strategieën, maar de logische eerste keuze. Nieuwbouw blijft mogelijk wanneer dat maatschappelijk noodzakelijk is, maar kan niet meer de standaardoplossing zijn voor iedere ruimtelijke vraag.

Hiermee verandert de betekenis van Paris Proof. De oorspronkelijke gedachte achter Paris Proof was dat gebouwen binnen een eerlijk aandeel van het mondiale klimaatbudget moeten passen. De tijd heeft ons echter ingehaald. Een gloednieuw Paris Proof gebouw is bijna niet meer haalbaar, zelfs als we dat baseren op het CO2-budget uit 2020. De Paris Proof carbon budgetbenadering legt de kritische vragen bloot of bouwen überhaupt nog kan, welke bouwactiviteiten maatschappelijk noodzakelijk zijn en hoe we de resterende emissieruimte zo verstandig mogelijk kunnen inzetten.

Naar het nieuwe protocol 2.0