

In dit artikel
Het bouwbudget is op… De urgentie rondom materiaalgebonden CO₂ in de bouwsector is groter dan ooit. In 2021 stelde DGBC, samen met NIBE, grenswaarden op voor materiaalgebonden emissies in de bouwsector. Deze Paris Proof waarden zijn breed omarmd en hebben gezorgd voor meer bewustwording en sturing in de markt. In deze longread inventariseren we de actuele stand van zaken, de impact van de nieuwe grenswaarden, en de urgentie van versnelling.
Materiaalgebonden CO2-uitstoot
Inmiddels zijn we vijf jaar verder en zijn de CO₂-budgetten opnieuw berekend. Ondanks de inzet van vele partijen is de uitstoot onvoldoende gedaald. De internationale context is bovendien veranderd: het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) heeft de mondiale budgetten fors naar beneden bijgesteld.
Dit betekent dat het resterende CO₂-budget voor Nederland en de bouwsector kleiner is dan ooit. Uit recente berekeningen van NIBE en het IPCC blijkt dat het 1,5-gradenscenario niet langer haalbaar is voor de Nederlandse bouwsector. Het resterende CO₂-budget is zo klein dat zelfs de meest duurzame eengezinswoning (170 kg CO₂/m²) ver boven de nieuwe grenswaarde van 16 kg CO₂/m² uitkomt.
Tegelijkertijd is stoppen met bouwen geen optie: Nederland staat voor een grote bouw- en renovatieopgave, met een wens om de komende jaren 900.000 wooneenheden te realiseren en bestaande gebouwen te verduurzamen. Hiervoor zijn materialen nodig die bij productie ook CO₂-uitstoot veroorzaken.


De Paris Proof materiaalgebonden grenswaarden en het Paris Proof materiaalgebonden protocol (PPm-protocol) zijn breed omarmd door de markt. Veel partijen, waaronder de Paris Proof commitment ondertekenaars, sturen hier actief op, wat positief is voor het klimaat. Toch blijkt uit de praktijk dat het behalen van de harde grenswaarden steeds lastiger wordt. Daarom introduceert DGBC een klassensysteem, gebaseerd op de oude 1,5 graden grenswaarden uit 2020, om verdere reductie te stimuleren zonder de bouwopgave te blokkeren.
Ondanks de inzet van veel partijen en de stappen die zijn gezet, moeten we eerlijk zijn: de uitstoot van broeikasgassen in de bouwsector daalt niet snel genoeg. We zijn ons bewust van de opgave (‘Paris Aware’), maar het daadwerkelijk realiseren van Paris Proof blijkt in de praktijk een stuk lastiger. Dit vraagt om een fundamenteel eerlijke blik op wat nog haalbaar is – en wat niet.
In deze longread lees je over:
Het verminderen van de materialenuitstoot bij nieuwbouw en renovaties gaat niet alleen om het verminderen en slimmer omgaan van de toe te voegen materialen. De markt is ook druk met het innoveren van grote CO2 dragende materialen, denk aan de ontwikkelingen voor circulair of CO2-arm beton. Hieronder zetten we verschillende ontwikkelingen in productgroepen en bouwmaterialen op een rijtje.
1.1 Beton
Beton is het meest gebruikte bouwmateriaal in Nederland en ook groot aandeelhouder van de emissies in de bouw. Dat komt met name door het cement in beton: de productie van cement, het bindmiddel in beton, veroorzaakt tot 90% van de CO₂-uitstoot van beton. Een aantal ontwikkelingen zijn te zien die deze uitstoot verminderen.
1. Alternatieve bindmiddelen zoals geopolymeren en gecalcineerde klei maken cementloos beton haalbaar.
Heijmans experimenteert met geopolymeerbeton, waarin cement volledig wordt vervangen door geopolymeren.
Woningen in pilotproject: wanden en gevels uitgevoerd in geopolymeerbeton, met een CO₂-reductie van 40–70% ten opzichte van conventioneel beton. Heijmans werkt samen met TU Delft en TU Eindhoven om regelgeving en risicobeoordeling voor deze nieuwe betonsoort te ontwikkelen.
Voorbeeldproject: Gemini Noord (TU Eindhoven): toepassing van geopolymeerbeton in een vrijdragende vloer, een primeur in Nederland. Dit toont aan dat cementloze betonvarianten ook constructief haalbaar zijn voor complexe toepassingen.
Samen met technologiepartner C2CA bouwt Dura Vermeer een installatie in Rotterdam die 150.000 ton betonpuin per jaar verwerkt.
Verwachte impact: 30.000 ton CO₂-reductie per jaar en een structurele oplossing voor hoogwaardig hergebruik van betonafval.
Deze innovatie doorbreekt het huidige patroon waarin betonpuin vooral laagwaardig wordt toegepast (bijv. als funderingsmateriaal).
Het proces levert niet alleen grind en zand terug, maar ook een Supplementary Cementitious Material (SCM) – een actieve cementvervanger.
Heijmans zet in op gestapelde betonconcepten en hergebruik van betonelementen in projecten zoals De Nieuwe Post. Dit sluit aan bij het Betonakkoord en de ambitie om de MPG-score van gebouwen te verlagen.
2. Upcycling van betonpuin levert hoogwaardige grondstoffen en cementvervangers op, essentieel voor circulaire ketens.
3. Prefab en procesoptimalisatie zorgen voor snelle CO₂-reductie zonder grote investeringen.
Dura Vermeer past groen beton toe door het aandeel Portlandklinker te verlagen en alternatieve bindmiddelen te gebruiken.
In prefab-productie bij Voorbij Prefab realiseerde Dura Vermeer al in 2020 een 35% CO₂-reductie door mengselsamenstelling en procesoptimalisatie, zonder hogere kosten.
1.2 Staal
In de constructies van gebouwen wordt veelal staal gebruikt. Staal is her te gebruiken op verschillende manieren. Het grootste deel van vrijkomend staal wordt gerecycled door omsmelting, een proces dat veel energie kost en CO₂ uitstoot veroorzaakt. Een alternatief is direct hergebruik, het opnieuw inzetten van bestaande staalprofielen in nieuwe constructies, dit levert een veel grotere milieuwinst op. Met de publicatie van de NTA 8713:2023 is er een uniforme procedure die hergebruik veilig en breed toepasbaar maakt.


Het laboratoriumgebouw BioPartner 5 op het Leiden Bio Science Park geldt als hét icoonproject voor het direct hergebruiken van staalconstructies. Uit het Gorlaeus-laboratorium van de Universiteit Leiden werd 165.000 kg constructiestaal gedemonteerd, 750 meter verplaatst en opnieuw toegepast voor de hoofddraagconstructie. Het gebouw is ontworpen volgens het donorskelet-principe: niet alleen hergebruik nu, maar ook demontabel voor toekomstig hergebruik. Resultaat is het eerste Paris-Proof gebouw van Nederland, met een CO₂-footprint van 212 kg/m², ruim onder de norm van de Dutch Green Building Council.
BioPartner 5 bewees dat grootschalig hergebruik technisch haalbaar is en legde de basis voor de ontwikkeling van de NTA 8713. De NTA helpt bij het opstellen van een keuringsdocument om te controleren of het her te gebruiken staal voldoet aan het Bouwbesluit.
Naast de NTA is er sinds 2023 het Bouwakkoord Staal. Het Bouwakkoord Staal is een ketenbreed convenant waarin de Nederlandse staalbouwsector afspraken maakt om minimaal 60% CO₂-reductie ten opzichte van 1990 te realiseren, hergebruik en recycling van staal te bevorderen, en de milieu-impact van staalproductie en toepassing drastisch te verlagen richting 2030.
1.3 Installaties
Installaties, zoals verwarming, koeling, ventilatie en elektrotechnische systemen, zijn verantwoordelijk voor ongeveer 40% van de milieu-impact van een gebouw. Deze impact groeit door de toename van warmtepompen, zonnepanelen en complexe regeltechniek, omdat ze simpelweg meer materialen bevatten. De afgelopen jaren is hier steeds meer aandacht naar, welke in drie trends zijn op te sommen.
Trend 1: Routekaarten voor circulaire installaties
In maart 2025 is de Routekaart Circulaire Klimaatinstallaties gelanceerd door de Circulaire Maakindustrie en Bouweconomie. Deze routekaart geeft richting aan de transitie tot 2030 en bevat drie kernstrategieën:
Trend 2: Noodzaak van betere milieudata
De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) en binnenkort Whole Life Cycle Global Warming Potential (WLC-GWP; aardopwarmingspotentieel over de hele levenscyclus in CO2-eq) wordt steeds belangrijker als norm voor duurzaamheid. Van veel installaties ontbreken nog betrouwbare LCA-data in de Nationale Milieudatabase (NMD) die nodig is om deze berekeningen te kunnen maken. Zonder deze data kunnen ontwerpers en opdrachtgevers niet sturen op circulaire keuzes, en blijven installaties een blinde vlek in duurzaamheidsberekeningen.
Trend 3: Ontwerpstrategieën die installaties minimaliseren en passieve oplossingen benutten.
De derde trend is installatie-arm bouwen (of passief bouwen): minder techniek door beter ontwerp.
Een andere ontwikkeling wat in 2025 een vlucht heeft genomen, is het opstellen van programma’s van eisen voor circulaire installaties. Als opdrachtgevers in een vroeg stadium heldere eisen stellen aan circulariteit van klimaatinstallaties, wordt het voor ontwerpers, bouwers, producenten en leveranciers makkelijker om circulaire producten en diensten aan te bieden. DGBC heeft een inventarisatie gemaakt van verschillende initiatieven die het programma van eisen voor circulaire klimaatinstallaties toelicht, deze lees je hier.
DGBC Programma Circulaire Klimaatinstallaties
DGBC versnelt de klimaatinstallatie transitie middels het programma Circulaire Klimaatinstallaties toegewerkt wordt naar installaties met een aanzienlijk lagere milieu‑impact over de hele levenscyclus; van ontwerp en productie tot gebruik, onderhoud, hergebruik en end‑of‑life. Door circulair te ontwerpen en te onderhouden, hergebruik en remanufacturing te organiseren en data‑gedreven keuzes te stimuleren, wordt zowel CO₂‑uitstoot als grondstoffenafhankelijkheid teruggebracht. Binnen het programma wordt ingezet op drie sporen:
DGBC werkt in het productteam Circulaire Klimaatinstallaties mee aan de Routekaart Circulaire Klimaatinstallaties (onder regie van de transitieteams Circulaire Bouweconomie en Circulaire Maakindustrie, i.s.m. RVO). DGBC levert input op scope, visie, doelformulering en uitvoeringsafspraken en verbindt marktpartijen en overheid om deze doelen haalbaar te maken.
In het MOOI‑innovatieproject (2025–2027) trekt DGBC het resultaat “Gedragen transitie”: het in kaart brengen van barrières en kansen (PESTEL), het uitvoeren van een skills‑gap analyse, en het opzetten van een Learning Community rond circulaire installaties. Het doel is dat ontwikkelde oplossingen, waaronder revisie, losmaakbaarheid, adaptief vermogen en modulair onderhoud, breed in de keten landen. Het consortium omvat o.a. TNO, TU Delft, TVVL, Squarewise, W/E, OEM’s en installateurs. DGBC borgt dat de lessen doorstromen naar beleid, PvE’s en beoordelingskaders zoals BREEAM‑NL.
Samen met partners wordt hier gewerkt aan circulaire criteria voor klimaatinstallaties. Denk hierbij aan losmaakbaarheid, adaptief vermogen, levensduurverlenging en hergebruikpotentie als praktische richtlijnen voor producenten, adviseurs en opdrachtgevers. Daarnaast jaagt DGBC datavoorziening voor installaties aan en koppelt de activiteiten aan bestaande platforms, zoals kennisplatform TVVL & Binnenklimaattechniek, om versnippering te voorkomen. Via publicaties, webinars, workshops en voorbeeldboeken worden best practices en tipping points gedeeld.
1.4 Biobased Bouwen
De transitie naar een duurzame bouwsector vraagt om fundamentele veranderingen in de manier waarop we materialen kiezen en toepassen. Biobased bouwen, het gebruik van hernieuwbare, plantaardige grondstoffen, staat daarbij steeds hoger op de agenda. Biobased materialen bieden grote kansen om de materiaalgebonden CO₂-uitstoot te verlagen, de afhankelijkheid van eindige grondstoffen te verminderen en de bouwsector veerkrachtiger te maken. Tegelijkertijd zijn er nog grote uitdagingen: de opschaling van productie, het borgen van kwaliteit en beschikbaarheid, en het creëren van stabiele afzetmarkten voor boeren en producenten. Hieronder verkennen we de ambities van de Nationale Aanpak Biobased Bouwen (NABB) en de voordelen en de knelpunten van biobased bouwen in Nederland.
Nationale Aanpak Biobased Bouwen: van Land tot Pand
In 2023 lanceerde de rijksoverheid de Nationale Aanpak Biobased Bouwen (NABB). Het doel: in 2030 minstens 30% van alle nieuwbouwwoningen met minimaal 30% biobased materialen realiseren, ondersteund door een keten van boeren, verwerkers en bouwers. Het NABB investeert €200 miljoen in twee fasen (2023–2030) om 25 productieketens op te zetten, de teelt van vezelgewassen uit te breiden van 2.000 naar 50.000 hectare en verwerkingscapaciteit op te schalen naar 400.000 ton vezels per jaar. Ontwikkelingen richten zich op nieuwe biobased materialen, industrialisatie via prefab, en betere rekenmethodes voor milieuprestaties. Het kennisplatform NABB speelt hierbij een sleutelrol door praktijkvoorbeelden, standaarden en trainingen te bieden, zodat biobased bouwen van niche naar norm groeit.


Biobased bouwen blijft achter bij de ambities, ondanks toenemende aandacht en investeringen
Cobouw publiceerde 5 november 2025 een nieuwsartikel waarin de biobased bouwen ambities zijn toegelicht. Hoewel het doel is dat in 2030 minstens 30 procent van de bouw voor 30 procent uit biobased materialen bestaat, blijkt uit de Biobased Bouwen benchmark dat slechts één procent (1%) van de nieuwbouwwoningen vorig jaar aan deze norm voldeed. De voordelen voor het klimaat zijn groot: biobased materialen zoals hout, vlas en hennep kunnen niet-hernieuwbare grondstoffen vervangen en CO₂-uitstoot aanzienlijk verminderen. Toch remmen logistieke uitdagingen en een gebrek aan regionale verwerkingscapaciteit de opschaling. Boeren tonen interesse in teelt, maar wachten op langdurige afzetzekerheid, waardoor het een kip-of-ei verhaal blijft.
Opschaling en zekerheid zijn cruciaal om biobased bouwen van de grond te krijgen. Bouwers zoals Heijmans experimenteren met eigen teelt en houtskeletbouw, maar zijn nog afhankelijk van buitenlandse productie en kennis. Certificering en garanties vormen extra obstakels, waardoor grote projecten nodig zijn om massa te creëren. Ook boeren moeten fors investeren, vooral voor meerjarige gewassen, wat zonder zekerheid riskant is. Initiatieven zoals die van de Rabobanks investering van 100 miljoen euro en rentekortingen op biobased woningen kunnen helpen om een stabiele vraag te creëren en de keten te versterken. Alleen met structurele samenwerking tussen bouw, landbouw en financiers kan de ambitie van 30-30-30 werkelijkheid worden.
1.5 Hergebruik en circulaire sloop
Een andere belangrijke strategie naar een CO2-neutrale bouw is het zo hoogwaardig mogelijk hergebruiken van alle bouwmaterialen. In lijn met een Nationale Aanpak voor Biobased Bouwen, is eind 2025 een Nationale Aanpak Hergebruik Bouwmaterialen (NAHB) geïntroduceerd.
De NAHB is antwoord op de noodzaak om het hergebruik van bouwmaterialen in Nederland structureel te vergroten. Waar momenteel slechts een klein deel van de materialen uit sloop en renovatie daadwerkelijk hoogwaardig wordt hergebruikt, zet de NAHB in op een landelijke ketenaanpak om dit percentage fors te verhogen. De aanpak richt zich op het organiseren van terugname, refabricage, onderhoud en hergebruik van materialen als standaard onderdeel van het bouwproces, aansluitend op de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik (ACSH) naar nationaal niveau. Om dit te realiseren vraagt het om nauwe samenwerking tussen ontwerpers, bouwers, sloopbedrijven en leveranciers, maar ook om stimulerende regelgeving en investeringen in logistiek en opslag.
De aanpak sluit aan op het Nationaal Programma Circulaire Economie en de Nationale Grondstoffenstrategie waarmee het kabinet minder afhankelijk wil worden van grondstoffen uit andere landen. Het kan leiden tot forse kostenbesparingen en draagt bij aan het realiseren van de nationale en Europese doelen op het gebied van klimaat en circulaire economie.
De aanpak streeft ernaar dat in 2035 minimaal 30% van de materialen uit gebouwen en infrastructuur wordt hergebruikt.
Ketenaanpak opschalen
Momenteel wordt echter slechts 8% van de materialen en componenten die vrijkomen door sloop hergebruikt, het ‘Circularity Gap Report’ van Circle Economy en Metabolic gaat hier dieper op in. Er zijn wel diverse initiatieven om dit te verbeteren, maar die zijn versnipperd en de keten werkt nog onvoldoende samen.
Om grootschalig met hergebruik aan de slag te kunnen, is een opgeschaalde ketenaanpak nodig om hergebruik een standaard onderdeel te maken van het bouwproces. Dit kan door:
1.6 Bouwmaterialenakkoord
Het Bouwmaterialenakkoord (BMA), ondertekend op 5 november 2025 door de Nederlandse bouwmaterialenindustrie en het Rijk, vormt een belangrijke mijlpaal in de verduurzaming van de bouwsector. Dit akkoord bouwt voort op eerdere initiatieven en routekaarten die door verschillende materiaalketens en brancheverenigingen zijn ontwikkeld om de bouwsector te verduurzamen en efficiënter te maken. In dit akkoord staan afspraken die de bouwsector helpen om de beschikbaarheid van grondstoffen te vergroten en milieuschadekosten in de materiaalketens zo veel mogelijk te beperken. Het akkoord is ondertekend door 13 zogeheten materiaalketens in de bouwmaterialenindustrie, diverse brancheverenigingen en de ministeries van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), Klimaat en Groene Groei (KGG) en Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
Materiaalketens hebben een routekaart opgesteld met ambities en acties die bijdragen aan het behalen van de doelen van het akkoord. Het Rijk en de brancheverenigingen ondersteunen de materiaalketens bij het opstellen en uitvoeren van de routekaarten. Het akkoord is cruciaal om barrières weg te nemen voor duurzaam bouwen en om grip te krijgen op de verduurzaming van materiaalketens zoals beton, staal, baksteen en hout.
1.7 Materiaalstromen en CO2-emissies
Rapporten van Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) en Structural Collective (voorheen Metabolic) maken zichtbaar wat de materiaalstromen en CO2-emissies in de bouw zijn. Ze tonen waar de grootste impact zit, zoals tussen nieuwbouw en bestaande bouw, maar ook met onderverdelingen naar bouwmaterialen, en de beschikbaarheid en toepassing van hernieuwbare en hergebruik van bouwmaterialen. Dit is nu gedaan voor 2014 en de laatste versie uit 2019. In december 2025 wordt ook de rapportage opgeleverd voor 2023.
Hieronder wordt data van EIB uit 2023 in vijf tabellen toegelicht. Deze geven inzicht in verschillende aspecten van de materiaalgebonden vraagstukken Nederland:
De onderstaande tabel laat zien dat voor 2023 87% van de materialen nog steeds primaire input is, secundair 9% en hernieuwbaar (met biobased) niet verder komt dan 4% aandeel (in kton gewicht). Voor meerdere materiaalstromen is logischerwijs nooit een aandeel hernieuwbaar van toepassing.


Tabel 1 – Herkomst van belangrijkste materiaalstromen B&U, 2023, business-as-usual kton
In de tabel hieronder zie je hoeveel materiaal jaarlijks de sector binnenkomt en weer uitgaat. De uitstroom (hergebruik) dekt slechts een klein deel van de instroom, waardoor circulaire potentie nog onvoldoende wordt benut.


Tabel 2 – Ingaan en uitgaande stromen, B&U, 2023
Tabel 3a geeft een prognose van de materiaal in- en uitstroom voor verschillende bouwtypen tot 2050. Ondanks groei in hergebruik blijft de matching tussen in- en uitstroom structureel achter.


Tabel 3a – Massa in- en uitstroom in kton scenario business-as-usual, woningbouw en utiliteitsbouw
In tabel 4 wordt het percentage weergegeven van materialen dat uit sloop en renovatie opnieuw kan worden ingezet. Voor geen enkele materiaalstroom wordt een volledige circulaire match bereikt, zelfs niet in 2050.


Tabel 4 – matching per materialenstroom, scenario business-as-usual, woningbouw en utiliteitsbouw
De bovenstaande tabellen, 2, 3a en 4, laten zien wat de potentiële beschikbaarheid is van materiaalstromen uit hergebruik: de uitstroom van materialen door sloop van bestaande gebouwen die de input moeten kunnen opvangen. Op de lange termijn (naar 2050) is voor geen één stroom een 100% match te verwachten.
Tabel 5 biedt een weergave van de massa-intensiteit (uitgedrukt in kg/m² Bruto Vloeroppervlak(BVO)) per typologie en bouwwijze (Conventioneel, Biobased, Hybride). Deze data is essentieel voor het kwantificeren van de materiaalvraag en de daaraan gekoppelde milieubelasting (MKI en ingebedde CO2). De tabel laat zien wat de ‘CO2-footprint’ is per m2 BVO voor de gebouwprofielen. Hier zie je dat de biobased profielen significant lager zijn dan conventioneel en dat er veel te besparen valt.


Tabel 5 – Materiaalintensiteiten van gebouwprofielen in kg/m2
Zoals de inleiding al schetste staat de Nederlandse bouw- en vastgoedsector voor een enorme uitdaging: het realiseren van een grote nieuwbouw- en renovatieopgave binnen de grenzen van onze planeet. Planetaire grenzen zijn wetenschappelijk vastgestelde limieten voor de impact die de mens op de aarde kan hebben, zonder dat de stabiliteit en het functioneren van het wereldwijde ecosysteem in gevaar komen. Ze geven aan hoeveel ruimte er is voor bijvoorbeeld het uitstoten van broeikasgassen, het gebruik van land, water en grondstoffen, en het verspreiden van chemische stoffen, voordat er onomkeerbare schade ontstaat aan het milieu en het klimaat.
Er zijn negen planetaire grenzen, waaronder: klimaatverandering, verlies aan biodiversiteit, landgebruik, zoetwatergebruik, verzuring van de oceanen, en de verstoring van stikstof- en fosforkringlopen. Als deze grenzen worden overschreden, neemt het risico op grote verstoringen van het milieu toe, met gevolgen voor het welzijn van mensen en natuur wereldwijd. Zes van de negen planetaire grenzen zijn wereldwijd al overschreden, waaronder klimaatverandering, landgebruik en biodiversiteit.
Voor de bouw hebben we een maximaal CO₂-budget omarmd. Bij ongewijzigd beleid overschrijdt de sector het budget voor 1,5°C opwarming al in 2026. Dit vraagt om een fundamentele omslag in hoe we bouwen en renoveren.
Planetaire grenzen en CO₂-budget
Het concept van planetaire grenzen biedt een kader om absolute milieugrenzen centraal te stellen. Voor de Nederlandse bouwsector is het resterende CO₂-budget zeer beperkt: 47 Mton voor 1,5°C opwarming. Met de huidige manier van bouwen wordt dit budget al in 2026 overschreden. Zelfs bij een scenario van 1,7°C is het budget rond 2031 uitgeput. Dit benadrukt de noodzaak van snelle en ingrijpende maatregelen.
De utiliteitsbouw heeft een grote materiaalgebonden CO₂-impact, vooral door het gebruik van beton, staal en installaties.
Ook in de woningbouw is de opgave groot. De huidige aanpak leidt ertoe dat het CO₂-budget al in 2027 wordt overschreden.
2.1 RLi rapport “Bouwen met toekomst”
De Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLi) is een onafhankelijke adviesraad die de Nederlandse regering en het parlement adviseert over strategische vraagstukken op het gebied van Leefomgeving (zoals klimaat, energie, natuur, milieu), Ruimtelijke ordening (stedelijke ontwikkeling, woningbouw) en Infrastructuur en mobiliteit.
De RLi kijkt naar lange termijnvisies én kortetermijnmaatregelen om maatschappelijke opgaven, zoals de energietransitie, circulaire economie en klimaatdoelen, te realiseren. Hun adviezen zijn richtinggevend voor beleid en wetgeving. In het RLi-rapport “Bouwen met toekomst” (2025) ligt de nadruk op het direct reduceren van CO₂-uitstoot in de bouwfase, niet alleen op lange termijn via gebruiksfase. De belangrijkste punten over sturing op korte termijn zijn:
Normeren en routekaart
Beprijzen en heffing
Focus op vijf strategieën
Opschaling via fabrieksmatige bouw
2.2 Paris Proof Materiaalgebonden rekenprotocol
Het Paris Proof materiaalgebonden rekenprotocol is ontwikkeld om de Nederlandse bouw- en vastgoedsector te helpen sturen op het reduceren van materiaalgebonden CO₂-emissies. Het protocol biedt een rekenmethodiek en grenswaarden die aansluiten bij het mondiale CO₂-budget en de Nederlandse bouwopgave. De eerste versie van het protocol werd in 2021 gelanceerd door DGBC, in samenwerking met NIBE.
Sinds de introductie van het eerste protocol is de context veranderd. Het IPCC heeft het mondiale CO₂-budget verder aangescherpt, waardoor de resterende ruimte voor emissies kleiner is dan ooit. Tegelijkertijd is duidelijk geworden dat het behalen van de oorspronkelijke grenswaarden in de praktijk heel lastig was. Daarom heeft DGBC in 2025 een tweede versie van het protocol gepubliceerd, met een aantal belangrijke aanpassingen.


Introductie van een klassensysteem


Uitbreiding van rekenregels en datakaders
Met deze update biedt het protocol een robuuste basis voor bedrijven om te voldoen aan nationale én Europese eisen, zoals de CSRD, en om actief te sturen op materiaalgebonden emissies in lijn met het Paris Proof-doel: een klimaatneutrale bouwkolom in 2040.
2.3 De rol en ontwikkelingen van milieudata
De Nederlandse bouwsector staat onder druk om steeds meer en betere milieudata te leveren. De Nationale Milieudatabase (NMD) speelt hierin een centrale rol, maar krijgt kritiek vanuit de markt op transparantie, betrouwbaarheid en het tempo van vernieuwing. Veel data ontbreekt nog, vooral op productniveau (van bijvoorbeeld installaties), waardoor berekeningen vaak steunen op generieke categorie 3-data met een ‘boete’ van 30%. De overgang van A1 naar A2-dataset, van 11 naar 19 impactcategorieën volgens EN15804+A2, verloopt traag en zorgt voor onzekerheid bij leveranciers. Nog meer worstelt de markt met onduidelijkheid over Europese harmonisatie en de toepassing van CPR-regels. Tegelijk woedt een discussie over de achtergronddata: GaBi versus EcoInvent, waarbij verschillen in impactresultaten en methodiek tot verwarring leiden.
Nieuwe eisen vergroten druk op keten en Nationale database
Naast nationale MPG-verplichtingen drijft Europese regelgeving zoals de CSRD de vraag naar gedetailleerde milieudata verder op. Grote bouwbedrijven moeten vanaf 2024 rapporteren over hun volledige waardeketen, inclusief CO₂-uitstoot, afvalstromen en sociale aspecten. Dit legt druk op toeleveranciers, die vaak in een patstelling belanden door onzekerheden rond CPR en digitale productpaspoorten. Tegelijk groeit de roep om één geharmoniseerde Europese database, zodat internationale EPD’s niet telkens naar het Nederlandse NMD-formaat hoeven te worden omgezet. Brancheorganisaties zoals NEPROM en Bouwend Nederland pleiten voor een duidelijke transitie naar een Europees afgestemd systeem met Whole Life Carbon als kern, terwijl anderen het belang van een nationale database benadrukken vanwege de koppeling met Nederlandse bepalingsmethoden en regelgeving. Deze spanning tussen nationale autonomie en Europese uniformiteit maakt de komende jaren bepalend voor hoe milieudata wordt georganiseerd en gedeeld.
In de Nederlandse bouw neemt het bedrijfsleven het voortouw in het reduceren van CO₂, met initiatieven zoals Paris Proof en emissievrije bouwlogistiek. Grote spelers ontwikkelen eigen CO₂-budgetten en sturen actief op ketenimpact, terwijl de rijksoverheid vooral inzet op het benadrukken van klimaatambities en het vermijden van ‘nationale koppen’ bovenop Europese regels. Hierdoor ontstaat een gat tussen marktpraktijk en beleid: bedrijven operationaliseren verduurzaming sneller dan de overheid normering vastlegt.
3.1 Paris Proof Commitment
DGBC heeft vanuit eigen rol onder andere het marktbrede Paris Proof Commitment opgesteld om de volledige keten tot versnelde actie op te roepen. Het Paris Proof Commitment is een opgestelde verklaring van organisaties binnen de volledige keten (van producenten tot adviesbureaus en beleggers) om zich gezamenlijk in te zetten voor een gebouwde omgeving binnen de operationele én materiaalgebonden Paris Proof-grenswaarden. Het uiteindelijke doel is een CO2-neutrale bouwkolom voor 2040. Hierbij is het van belang dat naast operationele emissies ook materiaalgebonden emissies worden meegerekend en gereduceerd.
Om te sturen op vermindering van CO2-uitstoot door materiaalgebruik in de bouw, zijn in het Paris Proof Commitment ambities opgenomen die sturen op de materiaalgebonden grenswaarden die voor de Nederlandse bouw en vastgoedsector ervoor moeten zorgen dat we binnen ons CO2-budget blijven.


Sturen op materiaalgebonden emissies
Het originele Paris Proof Commitment stuurt met name op het reduceren van operationele CO2-emissies voor de bestaande bouw. Met het Building Life programma stuurt DGBC nu ook op het reduceren van de materiaalgebonden emissies, hiervoor heeft de DGBC ook een protocol opgesteld. In 2022 hebben 31 partijen in de bouw- en vastgoedsector hun handtekening onder de intentieverklaring over ‘materiaalgebonden emissies‘, zoals deze broeikasgassen ook wel genoemd worden. Het afgelopen jaar is deze methodiek ook verder omarmt door onder andere beleggers, daarover lees je hieronder.
3.2 Materiaalgebonden commitment vastgoedbeleggers en -adviseurs
Daarnaast zijn er vanuit de markt initiatieven die sturen op het hanteren van harde grenzen om de materiaalgebonden CO2-uitstoot van projecten te verlagen. Op 15 september 2025 hebben grote institutionele vastgoedvermogensbeheerders en woningcorporaties een gezamenlijke commitment ondertekend om harde grenzen te stellen aan de materiaalgebonden CO₂-uitstoot van nieuwbouwprojecten. Samen vertegenwoordigen zij meer dan €60 miljard aan belegd vermogen en tienduizenden nieuwe woningen in de komende jaren.
Het initiatief waarbij beleggers en woningcorporaties samen harde grenzen stellen aan de CO₂-uitstoot van nieuwbouwprojecten is een belangrijke doorbraak in de Nederlandse bouwsector. De partijen hebben afgesproken om voor hun nieuwbouwprojecten zowel een streefwaarde als een harde plafondwaarde te hanteren voor de materiaalgebonden CO₂-uitstoot. Dit betekent dat projecten die deze grens overschrijden, in principe niet meer worden afgenomen of ontwikkeld.
De CO₂-limiet geldt voor de emissies die vrijkomen bij de productie, het transport, de verwerking en toepassing van bouwmaterialen. De ondertekenaars hebben een reductiepad vastgesteld tot 2050, dat jaarlijks wordt geëvalueerd en waar nodig wordt aangescherpt. Hiermee bieden zij duidelijkheid aan de markt: alleen projecten die voldoen aan de gestelde eisen komen nog in aanmerking. Dit versnelt de omschakeling naar slimmer, circulair en biobased bouwen en zet een nieuwe standaard voor de sector.
Het commitment benoemt drie routes om de materiaalgebonden emissies te verlagen:
Deze aanpak sluit aan bij de klimaatdoelen van Parijs (55% minder uitstoot in 2030 en een volledig klimaatneutrale sector in 2050) en stimuleert innovatie in de bouwketen. De afspraken zijn een reactie op het uitblijven van strenge nationale regelgeving en laten zien dat marktpartijen zelf het voortouw nemen om de sector te verduurzamen.
Dit initiatief past in een bredere beweging waarbij marktpartijen steeds vaker vrijwillig CO₂-normen hanteren, bijvoorbeeld via de Dutch Green Building Council, het Lente-akkoord en de inzet op MPG-normen en GWP-berekeningen. Ook Europese regelgeving, zoals de Green Deal en de aankomende verplichting om het aardopwarmingspotentieel (GWP) van gebouwen te berekenen, draagt bij aan deze trend.
3.3 #BuildingLife Ambassadeurs
Jaarlijks verzorgt DGBC een tweewekelijkse online bijeenkomst voor de #BuildingLife Ambassadeurs en eens per kwartaal wordt een fysieke bijeenkomst georganiseerd. Afgelopen jaar is input opgehaald die de huidige kansen en knelpunten van de Nederlandse materialentransitie in kaart brengt. Deze input benadrukt dat de transitie naar duurzamere bouwmaterialen breed wordt gedragen, maar dat de voortgang wordt geremd door een combinatie van beleidsmatige, economische, organisatorische en culturele factoren. De inzichten zijn hieronder thematisch uitgewerkt.
Politiek (wet- en regelgeving)
Kansen
Belemmeringen
Om de transitie te versnellen, is het essentieel dat overheden duidelijke, consistente en toekomstgerichte regelgeving bieden. Dit vraagt om het stellen van concrete tussendoelen, het stimuleren van kennisdeling over regelgeving in de sector en het actief betrekken van marktpartijen bij het opstellen en evalueren van beleid. Zo ontstaat een stabiel en voorspelbaar kader dat investeringen en innovatie in duurzame materialen daadwerkelijk aanjaagt.
Economie en markt
Kansen
Belemmeringen
Het is belangrijk om economische instrumenten zoals CO₂-beprijzing en subsidies voor duurzame materialen verder te ontwikkelen. Daarnaast moet de waarde van duurzaamheid expliciet worden gemaakt in financiële besluitvorming, moeten investeringen in biobased en circulaire materialen worden gestimuleerd en is samenwerking met verzekeraars nodig om passende producten voor innovatieve bouwmethoden te realiseren.
Systeem en readiness
Kansen
Belemmeringen
Het standaardiseren van rekenmethodieken en datastromen, het stimuleren van integrale samenwerking tussen disciplines en het investeren in training en bewustwording rondom soft skills en verandermanagement zijn cruciaal. Ook het breed delen van succesvolle praktijkvoorbeelden draagt bij aan een weerbare en toekomstbestendige sector.
Overige input (mens en cultuur)
Kansen
Belemmeringen
Het actief stimuleren van kennisdeling en netwerkvorming, het zichtbaar maken van inspirerende voorbeelden en het betrekken van minder betrokken partijen zijn belangrijk om de transitie te versnellen. Investeren in toegankelijke data en monitoring helpt om voortgang en impact inzichtelijk te maken en een inclusieve, lerende sector te creëren.
Integrale en gezamelijke aanpak richting succesvolle implementatie
De overkoepelende geluiden uit de verzamelde input is dat de transitie naar duurzamere bouwmaterialen en het verminderen van materiaalgebonden uitstoot in de bouwsector breed wordt gedragen, maar nog wordt belemmerd door een combinatie van beleidsmatige, economische, organisatorische en culturele factoren. Om daadwerkelijk versnelling te realiseren, is het noodzakelijk dat overheid, markt en ketenpartners gezamenlijk inzetten op heldere en ambitieuze regelgeving, economische stimulansen, standaardisatie van methodieken, kennisdeling en het versterken van soft skills en verandercapaciteit. Alleen door deze factoren integraal en samenhangend aan te pakken, kan de sector de stap maken naar een toekomstbestendige, duurzame bouwpraktijk waarin materiaalgebonden emissies structureel worden verminderd.
4.1 CSRD en Scope 3
Het grootste deel van de CO₂-uitstoot van aannemers, ontwikkelaars, investeerders, architecten en ingenieurs komt niet uit hun eigen kantoren of woon-werkverkeer, maar uit hun projecten, vooral door het gebruik van energie, beton, staal en andere bouwmaterialen. Vanaf dit jaar moeten grote bedrijven hierover rapporteren, met als doel meer aandacht voor de grootste CO₂-bronnen.
Met Europese regels wordt inzicht in zowel directe als indirecte (scope 3) uitstoot steeds belangrijker voor bouwbedrijven. DGBC en tien koplopers uit de sector hebben daarom een handreiking ontwikkeld die duidelijk maakt hoe scope 3 op een uniforme manier berekend kan worden binnen de Nederlandse bouwsector
De Scope 3 handreiking beschrijft de eisen, geeft een overzicht van protocollen en databases, en is opgesteld in samenwerking met grote bouwbedrijven, Stichting Klimaatvriendelijk Aanbesteden & Ondernemen (SKAO), accountancybureaus en adviespartijen.


4.2 Carbon credits
Carbon credits, ook wel bekend als CO2-certificaten, zijn verhandelbare eenheden die gelijk staan aan 1 ton CO₂-reductie of -verwijdering. Ze worden gegenereerd door projecten die emissies voorkomen door bijvoorbeeld het toepassen van hernieuwbare energie of verwijderen van CO2 door bijvoorbeeld herbebossing. In de bouwsector zien we een opkomst van construction stored carbon credits: certificaten die de CO₂-opslag in biobased materialen zoals hout, hennep en stro financieel waarderen.
Nieuwe standaarden zoals de Core Carbon Principles (ICVCM) en VCMI-richtlijnen zorgen voor transparantie en geloofwaardigheid. Bedrijven willen zeker weten dat credits aantoonbare klimaatimpact hebben en passen binnen een net-zero strategie, deze principes en richtlijnen sturen op het bewaken van de integriteit. Carbon credits zijn geen vrijbrief om emissies te blijven produceren, maar partijen zien dit als een strategische hefboom in een sector die worstelt met harde klimaatdoelen.
Initiatieven zoals het Oncra-protocol (Open Natural Carbon Removal Accounting) van Climate Cleanup geven CO₂-opslag in gebouwen een verhandelbare en controleerbare waarde.
DGBC heeft in juni 2025 een ‘Position paper Whole Life Carbon en EPBD IV‘ uitgebracht. In dit document doet DGBC aanbevelingen voor de Nederlandse invoering van de Whole Life Carbon-methodiek (WLC-GWP) binnen de gebouwde omgeving.
DGBC heeft samen met enkele partners (TNO, Alba Concepts en Deerns) het document opgesteld met daarin verschillende adviezen en een oproep voor duidelijke en werkbare richtlijnen voor de nationale implementatie. Speerpunten hierbij zijn: een goede uitvoerbaarheid, zo eenvoudig mogelijk en dicht op de werkelijkheid, sturend op daadwerkelijk impact en zoveel mogelijk internationale harmonisatie.


In de position paper wijst DGBC 3 essentiële punten aan die bepalend zijn voor een effectieve invoering van de WLC-methodiek:
Daarnaast worden andere aandachtspunten besproken, zoals heldere afspraken over scope, levensduur en datastandaarden. DGBC benadrukt het belang van gevalideerde en toegankelijke databronnen en van het beperken van de administratieve lasten voor marktpartijen.
5.1 WLC-GWP Klankbordgroep Rijksoverheid
De minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft op 14 juli 2025 een brief aan de Tweede Kamer gestuurd over de implementatie van de EPBD, inclusief de WLC-GWP. De eerste stap is het opstellen van een Routekaart die uiterlijk 1 januari 2027 gepubliceerd moet worden. Hierin staat hoe broeikasgasemissies bij nieuwbouw zich vanaf 2030 ontwikkelen naar klimaatneutraliteit in 2050, met grenswaarden voor 2030 en streefwaarden tot 2050. Deze waarden worden beleidsneutraal verwerkt bij het definitief maken van de ZEB-eisen voor 2030. Grenswaarden mogen woningbouw en betaalbaarheid niet belemmeren.
Voor de uitwerking betrekt de minister belanghebbenden via een klankbordgroep, waaraan DGBC deelneemt, die advies geeft op basis van inhoudelijke deskundigheid. De klankbordgroep heeft geen besluitvormende rol. Onderzoekers blijven verantwoordelijk voor resultaten en conclusies. De routekaart moet ook inzicht geven in streefwaarden tussen 2030 en 2050. VRO en RVO laten hiervoor onderzoek doen naar verduurzaming van gebouwen en bouwproducten, onder andere met informatie van het Bouwmaterialenakkoord. Partijen die het BMA niet hebben getekend, wordt gevraagd beschikbare informatie te delen.
5.2 WLC-GWP vs. MPG
De Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) is nu onderdeel van Nederlandse wetgeving. Met de EPBD IV komt er een verplichting dat elk land ook gaat sturen op Whole Life Carbon. De belangrijkste verschillen tussen MPG- en de WLC-methode zijn:
Vraag is of de Nederlandse bouwregelgeving alleen moet gaan sturen op WLC, zoals alle andere Europese lidstaten, of dat de MPG daarnaast moet blijven bestaan.
Advies DGBC
Pas de bestaande MPG-bepalingsmethode op korte termijn aan in een WLC-methodiek. Maar niet voordat er een eenduidige en Europees geharmoniseerde methodiek is vastgesteld, mét landelijke (ambitieuze) grenswaarden.
5.3 CO2-barometer
De CO₂-barometer van het Lente-akkoord is een jaarlijks meetinstrument dat inzicht geeft in de klimaatimpact van woningnieuwbouw in Nederland. Het is ontwikkeld door W/E Adviseurs in opdracht van het Lente-akkoord 2.0 en wordt sinds 2021 toegepast.
De urgentie wordt benadrukt door de meest recente cijfers uit de CO₂-barometer. In 2024 komt de totale materiaalgebonden CO₂-uitstoot door nieuwbouwwoningen uit op 2.846 kton CO₂eq. Dit is lager dan eerdere jaren (tussen 3.250 en 3.340 kton CO₂eq), vooral door een lager bouwvolume. Toch blijft de gemiddelde uitstoot per m² BVO achter bij de dalende Paris Proof grenswaarden: in 2022 was dit 345 kg CO₂eq/m² BVO, terwijl de grenswaarde daalde naar 201 kg CO₂eq/m² BVO. Het verschil tussen praktijk en grenswaarde steeg tot +145 kg CO₂eq/m² BVO (+13%).


Belangrijke oorzaken voor deze trend zijn:
Het aantal nieuwbouwwoningen steeg in 2022 tot 74.660, waarvan het aandeel meergezinswoningen groeide naar 57%. De totale BVO daalde met 6% tot 9,7 mln m², wat wijst op compacter bouwen. De gemeten materiaalgebonden emissies daalden van 3,5 naar 3,4 Mton CO₂eq (-5%).
Deze cijfers laten zien dat er wel degelijk reductie is gerealiseerd, maar dat de snelheid en omvang onvoldoende zijn om binnen de gestelde Paris Proof kaders te blijven. De praktijk blijft achter bij de ambitie, en de resterende CO₂-budgetten zijn kleiner dan ooit. Dit vraagt om een versnelde transitie, meer innovatie en een scherpe focus op zowel nieuwbouw als renovatie.
We staan als sector op een kruispunt: blijven we vasthouden aan het 1,5-gradendoel, of moeten we accepteren dat een hogere opwarming (1,7 of zelfs 2 graden) realistischer is? Beide keuzes hebben grote consequenties voor klimaat, leefomgeving en gezondheid. Vanuit DGBC pleiten we daarom voor een ‘no regret’-strategie: maximaal inzetten op bestaande bouw en renovatie, en eerlijk communiceren over de gevolgen van onze keuzes.
5.4 Net Zero standaard
Met de toenemende duurzaamheidsdoelstellingen en strengere regelgeving vanuit de Europese Unie claimen steeds meer bedrijven dat zij naar net zero-emissies streven. Oftewel, dat de hoeveelheid broeikasgassen die zij uitstoten gelijk is aan de hoeveelheid die uit de atmosfeer wordt verwijderd, waardoor de netto uitstoot nul is. Hoe toets je dit? Om greenwashing te voorkomen en transparantie te waarborgen, is er behoefte aan sectorbrede overeenstemming en heldere, toetsbare kaders. Om zo de duurzame transitie in de gebouwde omgeving te bevorderen. DGBC heeft het initiatief genomen om een Net Zero Standaard te ontwikkelen.
Wat zijn de doelstellingen van het project?
Behalve samenwerking, is er ook overeenstemming nodig binnen de sector. Daarom moeten er duidelijke kaders worden vastgesteld met betrekking tot de volgende onderwerpen:
Bij het opstellen van de standaard neemt DGBC de bestaande Nederlandse en Europese wet- en regelgeving en sturingsmechanismen in acht. Daarom is ook de keuze gemaakt om de term Net Zero niet te vertalen. Om zo om aan te sluiten bij deze internationale richtlijnen.
Wat is het tijdspad van het project?
Om ervoor te zorgen dat de Net Zero-standaard breed geaccepteerd wordt, worden diverse werkgroepen benut en opgericht. Hierin komen partijen uit de praktijk, kennisinstellingen, banken en financiers samen. Deze samenwerkingen benadrukken het belang van een uitwerking die naadloos aansluit bij de definities van de EPBD IV en andere relevante EU-regelgeving, die bepalend zijn voor bedrijven in Europa. DGBC, Climate Cleanup en SKAO werken toe naar de publicatie van de pilotversie eind 2025.
Wie zijn bij dit project betrokken?
Deze standaard wordt mede mogelijk gemaakt door de TBI Klimaattrein. Een organisatie en netwerk om vernieuwde initiatieven van bouwpioniers en klimaatverbeteraars verder te brengen vanuit een fonds van TBI. En het meerjarenprogramma #BuildingLife met financiering van de Laudes Foundation en IKEA Foundation en het Paris Proof-programma van DGBC.
De standaard wordt in januari 2026 gepubliceerd en gaat dan een pilot fase in.
De bouwsector staat voor een enorme verduurzamingsopgave: het resterende CO₂-budget slinkt snel, terwijl de bouw- en renovatiebehoefte groot blijft. Innovaties in materialen (zoals cementloos beton, hergebruik van staal, biobased bouwen) en circulaire strategieën zijn essentieel, maar de praktijk blijft achter bij de gestelde Paris Proof-grenswaarden. De sector zet stappen met nieuwe protocollen, data, en samenwerkingen, maar wordt geremd door trage regelgeving, versnipperde data en economische uitdagingen. Alleen door integrale samenwerking, heldere kaders en versnelling van innovatie kan de sector richting een klimaatneutrale toekomst bewegen.
De bouwmaterialen bepalen het grootste deel van de materiaalgebonden CO₂-uitstoot. Innovatie in beton, staal, installaties, biobased bouwen en hergebruik is noodzakelijk, maar de opschaling en implementatie blijven achter bij de ambities. Zonder versnelling in verduurzaming van materialen wordt het CO₂-budget snel overschreden.
De markt loopt voorop met initiatieven en commitments om materiaalgebonden emissies te verlagen, terwijl de overheid vooral ambities uitspreekt. Beleggers en bedrijven stellen steeds vaker harde eisen aan projecten, wat innovatie stimuleert. Toch blijft een gelijk speelveld en duidelijke regelgeving cruciaal voor brede opschaling.
Binnen organisaties groeit het besef dat sturing op materiaalgebonden emissies essentieel is, mede door nieuwe rapportageverplichtingen (zoals CSRD en Scope 3). Samenwerking, kennisdeling en standaardisatie van data en methodieken zijn nodig om daadwerkelijk impact te maken. Soft skills en verandercapaciteit worden steeds belangrijker om de transitie te versnellen.
















Sinds zomer 2024 huist mediaconcern DPG Media in een nieuw pand: Mediavaert Amsterdam. Het gebouw dat werd ontwikkeld door Being, is een van de grootste hybride houten kantoorgebouwen van Europa. Het werd begin 2024 opgeleverd en biedt naast veel kantoorruimte ook een tweelaagse parkeergarage, diverse ruimtes voor bijeenkomsten, maar ook radiostudio’s, restaurants en sportfaciliteiten. Mediavaert […]
Bekijk dit project


