Gepubliceerd: 19 maart 2026
Leestijd: 8 minuten

In dit artikel

  • Circulaire tussenstand: wat zijn transitieversnellers?
  • Circulaire en Paris Proof-materiaalgebonden doelstellingen onder druk door woonopgave
  • Secundaire materialen krijgen alleen waarde als ze ook gewaardeerd worden
  • Milieu-impact primaire materialen
  • Samenvatting
  • Literatuur

Circulaire doelstellingen bouwsector: tussenstand en transitieversnellers

De bouw is wereldwijd verantwoordelijk voor 34% van het grondstoffengebruik1 (UNEP, 2025). Deze grondstoffen zijn niet oneindig voorradig. Daarnaast drukt de huidige geopolitieke situatie op grondstofprijzen en het belang van een onafhankelijke economie wordt zichtbaar. Een goede oplossing voor dit probleem kan worden gevonden in de circulaire bouweconomie. We zijn hier echter nog niet. In dit artikel reflecteert de Programmaraad DGBC op de circulaire bouweconomie, en wat zij nog benodigd zien om de circulaire transitie te versnellen.

Aan dit artikel hebben mede bijgedragen: Ivo Vonk (Alba Concepts), André Hekma (Arcadis), Patrick de Baat (a.s.r. estate) en Wouter Moorlag (TNO).

De bouw- en vastgoedsector kan de milieu-impact door materialen in gebouwen verminderen door:

De beste manier om de impact van materialen te verlagen is door minder materialen te gebruiken omdat we minder nodig hebben. Hoe bouwen we met minder materialen? De bestaande bouw vertegenwoordigt 98% van de huidige voorraad. Het beter inzetten van bestaande gebouwen kan veel opleveren en de vraag naar nieuwe materialen aanzienlijk verminderen. Als de keuze voor bouwen toch wordt gemaakt, valt er nog veel winst te behalen in het gebruik van minder materialen. Zo wees TNO er eerder op dat we nog te veel hout gebruiken in constructies, met mogelijke overdimensionering tot wel 30%2. Een goede vraag wat daadwerkelijk nodig kan veel milieu-impact aan de voorkant besparen.

Het verlagen van de milieu-impact kan ook door een hoger aandeel hoogwaardig gebruik van secundaire materialen. Dit sluit aan op de gedeelde ambitie in de bouw om in 2030 50% minder primaire materialen in te zetten. Een belangrijk aspect voor grootschaliger gebruik is een competitieve restwaarde, dat mede wordt bepaald door voldoende vraag. Het gebruik van secundaire materialen verlengt de levensduur van materialen, en de kringloop van materialen nu al sluiten. De uitstroom van materialen vormen zo weer bouwblokken voor een ander gebouw.

Wanneer er toch primaire materialen worden toegepast, is het taak om de milieu-impact van deze materialen zo laag mogelijk te houden. Dit kan door bijvoorbeeld slim gebruik te maken van biobased materialen, maar ook door duurzame innovaties in traditionele bouwmaterialen door te voeren. In het verlengde kunnen er regeneratieve principes worden toegepast, waarbij materialen CO2 opslaan, een koelend effect hebben en/of bijdragen aan de biodiversiteit.

Circulaire tussenstand: wat zijn transitieversnellers?

Nederland is koploper binnen Europa in de transitie naar een circulaire economie (Hanemaaijer et al., 2023; D’Adamo et al., 2024; Claudio-Quiroga & Poza, 2024) 345. Nederland heeft haar koppositie onder meer te danken aan een hoog recyclepercentage van diverse afvalstromen. Tegelijkertijd is er nog veel winst te behalen als het gaat om het beter benutten van de bestaande voorraad en het hoogwaardig hergebruik van materialen. Hieronder de belangrijkste transitieversnellers.

Circulaire en Paris Proof-materiaalgebonden doelstellingen onder druk door woonopgave

Op dit moment is de bouwsector nog sterk geënt op een lineair systeem6. Dit komt aan het licht in de woonopgave, waarvoor nieuwbouw als de voornaamste oplossing wordt gezien. Het Rijk heeft zichzelf als doel heeft 900.000 woningen voor 2030 te laten bouwen (Rijksoverheid, z.d.)7.

Deze aanpak en weergave van de woonopgave is lastig te combineren met de circulaire en Paris Proof-materiaalgebonden doelstellingen die we als Nederland ook hebben. Dit terwijl het wel kan. Zo is er niet zo zeer een bouwopgave, maar eerder een ruimteopgave. Cijfers tonen aan dat er in de bestaande voorraad voldoende nieuwe (woning)ruimten gerealiseerd kunnen worden 8. Tevens sluit een dergelijke aanpak beter aan op een circulair systeem, waar vraag en aanbod van materialen in balans is. De oplossing ligt dus genuanceerder dan bouwen, bouwen, bouwen. Zoals Elanor Boekholt-O’Sullivan, minister van VRO, aangeeft gaat het dus niet zo zeer om meer huizen, maar meer thuizen te creëren (NPO Start, 2026)9.

Secundaire materialen krijgen alleen waarde als ze ook gewaardeerd worden

Om de materialenkringloop daarnaast te sluiten, zal een groter aandeel secundair materiaalgebruik in de markt essentieel worden. De techniek, tools en methodieken zijn er. Zo kan er losmaakbaar ontworpen worden en is er een structuur om gebouwpaspoorten in te vullen. Echter zijn deze nog vaak voor gebouwen waarvan materialen pas later vrijkomen. Ook laten toekomstscenario’s niet een al te rooskleurig beeld zien voor de vrijkomende materialen: in 2050 wordt in theorie verwacht dat er hoogstens 42-45% hoogwaardig hergebruikt kan worden vanuit de sloop (42% voor utiliteit, 45% voor woningen)5. Dit maakt de materialenkringloop nog niet rond.

Gebruik van hoogwaardig hergebruik van materialen blijft wel van belang. Om de toepassing op te schalen, moet de business case aantrekkelijker worden. Vanuit de opdrachtgever kan er een sterke stimulans komen, bijvoorbeeld door circulaire principes standaard mee te nemen in tenders, afspraakbrieven en programma’s van eisen. Daarbij zit de oplossing ook deels in de keten. Leveranciers kunnen een belangrijke speler zijn, door te faciliteren dat materialen worden hersteld, verbeterd of omgevormd tot een nieuw product. Goed testen en beoordelen van secundaire materialen stimuleert hoogwaardig hergebruik.

Parallel zal systeemverandering, door onder andere een eerlijker financieel speelveld, nodig zijn voor de circulaire transitie. Het eerlijk beprijzen van materialen, waarbij de milieu-impact ook wordt meegenomen, is belangrijk. Maar ook het toekennen van een hogere restwaarde is een belangrijke sleutel. De Programmaraad zet zich in om zowel de technische aspecten als het systeem eromheen te verbeteren, zodat er daadwerkelijk opschaling plaatsvindt.

Milieu-impact primaire materialen

Uitgaande van de huidige situatie, wordt er gewoon doorgebouwd met hoofzakelijk primaire materialen. Om de schade te beperken, zit de meeste winst in het verlagen van de milieu-impact van deze materialen. Dit kan onder meer via een aanpak van – en vraag naar – installaties, die tot 50% van de totale materiaalgebonden emissies kunnen vormen van een gebouw. Maar ook een hoger aandeel biobased materialen kan flink helpen, net als innovaties in de traditionele sectoren. Het overgrote deel van gebouwen wordt immers nog gerealiseerd met materialen als beton, baksteen en staal6.

Het is van belang dat we heldere doelstellingen hebben. Het stellen van hogere eisen vanuit de vraagzijde, zowel door publieke en private partijen, is van belang. Eenduidigheid in werkwijze en wat we dan precies vragen, zou als basis moeten liggen. Dit kan nu worden gevonden in de Paris Proof-materiaalgebonden emissies grenswaarden – vooruitlopend op de WLC-GWP grenswaarden. Ook Het Nieuwe Normaal biedt richting.

Samenvatting

Nederland is binnen Europa koploper in de circulaire transitie345, maar de daadwerkelijke voortgang blijft beperkt6. Technisch zijn veel oplossingen al beschikbaar, maar in de praktijk levert dit nog onvoldoende op. De circulaire doelstellingen voor 2050 vragen om een fundamentelere verandering in de manier waarop we met materialen omgaan. De kern van de circulaire transitie ligt in het sluiten van bestaande materiaalstromen. Hierbij zijn haalbare en schaalbare business cases nodig, die nu nog niet worden ondersteund door gericht overheidsbeleid. In de tussentijd is het taak het materiaalgebruik zo veel mogelijk te beperken.

Waar het Rijk zich onvoldoende bewust lijkt van de opgave die voor hen ligt, is er in de markt nog onvoldoende waardering voor secundaire materialen. Ook zijn veel werkwijzen nog versnipperd. De markt heeft een heldere marktstandaard nodig, en een voorspelbaar pad om gezamenlijk naar een circulaire bouweconomie toe te werken. Dit zegt niets over het ambitieniveau, aangezien dit kan verschillen voor verschillende doelgroep. Wel weten partijen op deze manier waar ze aan toe zijn en is het mogelijk om de circulaire transitie echt te versnellen.

Parallel groeit de aandacht voor biobased en regeneratief bouwen, wat positieve effecten met zich mee kan brengen voor CO₂-opslag, klimaatadaptatie, biodiversiteit en leefbaarheid. Wel is het van belang dat deze ontwikkelingen samengaan met de bredere systeemverandering die circulariteit vereist, zodat we niet in voorbeeldprojecten blijven hangen. Meer sturing vanuit beleid, ketens en organisaties is nodig om technische mogelijkheden in te zetten op een manier die in de buurt komen van de circulaire doelstellingen.

Literatuur