Nieuw TNO-onderzoek brengt werkelijk energiegebruik in de utiliteitsbouw in beeld: sectoren goed op koers naar Paris Proof
Recent publiceerde TNO de resultaten van een breed onderzoek naar de energiekentallen in de utiliteitsbouw over de jaren 2020 tot en met 2024. Hier was al lange tijd behoefte aan, omdat de data uit het vorige onderzoek nog dateerden uit 2013. Dat onderzoek vormde het startpunt voor de Paris Proof-doelen, met grenswaarden die gebaseerd waren op 1/3 van het gemiddelde energiegebruik per gebouwtype. Deze besparing van 2/3 kwam voort uit een analyse van het duurzame energiepotentieel in 2050, wat door een onderzoek van Haskoning op 2/3 van het verbruik in 2015 werd geraamd.
Het nieuwe onderzoek van TNO biedt inzicht in waar de verschillende sectoren staan ten opzichte van 2013 en in hoeverre zij op koers liggen richting Paris Proof. Voor dit onderzoek had TNO toegang tot de CBS-microdataomgeving met daarin data over de meetgegevens van de energielevering per pand. In totaal zijn de gegevens van ruim 500.000 utiliteitsgebouwen meegenomen. Dat is het overgrote deel van de voorraad. De resultaten zijn bemoedigend: veel sectoren lopen voor op het reductiepad naar Paris Proof.

WEii-score kantoren ten opzichte van het DGBC Paris Proof-reductiepad
Meten, weten, sturen
DGBC pleit al lange tijd voor uniforme data en monitoring van de gebouwde omgeving. Vanuit het Klimaatakkoord hebben sectoren sectorale routekaarten opgesteld waarvoor een gezamenlijk format is afgesproken. DGBC heeft destijds routekaarten opgesteld voor kantoren, retail, logistiek, horeca en woningen. In de afgelopen jaren bleek het echter lastig om de vorderingen per sector te vergelijken en op te tellen tot één beeld van de gebouwde omgeving. De monitoring van de gebouwde omgeving, zoals in de Klimaat- en Energieverkenning (KEV), biedt geen inzicht per sector en gebouwtype.
Met name de maatschappelijke sectoren hebben monitoring grondig en gecoördineerd aangepakt. Zo heeft het Expertisecentrum Verduurzaming Zorg een CO2-routekaarttool met inzicht in het energiegebruik, de doorgevoerde en geplande maatregelen van het merendeel van de zorginstellingen. Ook RuimteOK, de organisatie voor de PO- en VO-onderwijssector en de kinderopvang, beschikt over een centrale rekentool op basis van de WEii-API, een openbaar beschikbare rekenkern waarmee gegevens automatisch tussen systemen kunnen worden uitgewisseld. Gemeenten zijn momenteel vanuit het VMV-programma (Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed) bezig hun monitoring verder in te richten. In al deze sectoren zijn WEii en de Paris Proof-doelstelling de centrale indicatoren.
WEii-dashboard vanuit TNO-data
Het TNO-onderzoek van dit jaar geeft erg veel detail. Zo zijn de kentallen voor gas, elektriciteit en eigen energieopwekking apart gepresenteerd, en is er een weergave per gebouwgrootte, bouwjaar en energielabelklasse.
WEii-indicatoren en reductiepaden per gebouwtype in beeld
In het dashboard zijn verschillende WEii-indicatoren per gebouwtype te selecteren, evenals de jaren en de voortgang over de jaren:
- Bij de WEii-indicator is het Paris Proof-reductiepad voor ieder gebouwtype weergegeven
- Bij de WEii-finaal-indicator is de positie ten opzichte van het CRREM-reductiepad af te lezen. WEii-finaal en CRREM geven het werkelijke energiegebruik van een gebouw weer zonder eigen energieopwekking.
Om aan te sluiten bij WEii heeft DGBC het aantal gebouwtypen teruggebracht tot de 24 typen uit de CBS-gebouwenmatrix. TNO baseert de gebouwtypeindeling op de Verrijkte BAG 2.0, en heeft binnen het onderzoek onderscheid gemaakt tussen 65 gebouwtypen. Er ontbreken echter ook gebouwtypen. Zo maakt de Verrijkte BAG 2.0 geen onderscheid tussen winkels met warenkoeling (supermarkt) en zonder warenkoeling en tussen restaurants en cafés. Om wel de koppeling te maken met de WEii-klassen is gewerkt met een gewogen gemiddelde gebaseerd op het aantal vierkante meters zoals blijkt uit de routekaarten retail en horeca. In het dashboard is de indeling in WEii-functies af te lezen en via het tabblad ‘settings’ aan te passen.

WEii-score per gebouwfunctie in 2024 met in kleur de WEii-klasse
17% energiereductie in de afgelopen vijf jaar
Gemiddeld over de gebouwtypen zien we dat in de periode 2020-2024 een energiereductie per vierkante meter van ongeveer 17% is gerealiseerd, naar gemiddeld 101 kWh/m2 in 2024. Het energiegebruik van veel sectoren ligt onder het Paris Proof-reductiepad, met de WEii-klasse ‘Zuinig’ als ijkpunt voor 2025. Aan de bovenkant zijn uitschieters zoals zwembaden en ziekenhuizen. Dat zijn gebouwtypen waar het proces een hoog aandeel heeft, net als bij de koel/vrieshuizen met 249 kWh/m2 en cafés/restaurants van 339 kWh/m2.

Gemiddelde daling in de WEii-score over alle gebouwtypen in de afgelopen 5 jaar
Bij de sectoren waar WEii het meest toegepast wordt, zien we:
- Kantoren voldoen inmiddels met gemiddeld 104 kWh/m2 ruim aan de WEii-klasse ‘Zeer Zuinig’, het ijkpunt voor 2030 op het Paris Proof-reductiepad. Ook ligt de score ruim onder het CRREM-reductiepad. De grafieken hieronder laten de WEii-score van kantoren ten opzichte van DGBC Paris Proof en de WEii-finaal-score ten opzichte van het CRREM-reductiepad zien. Via het dashboard onder dit artikel zijn deze grafieken ook voor andere functies in beeld te brengen.

WEii-finaal-score kantoren ten opzichte van het CRREM-reductiepad
- Winkels komen tezamen gemiddeld uit op 107 kWh/m2. Met het gewogen gemiddelde van winkels met warenkoeling (20% van het winkeloppervlak) en winkels zonder warenkoeling komen winkels als enige gebouwtype uit op de WEii-klasse ‘Zeer Zuinig’. De vergelijking met de afzonderlijke Paris Proof-waarden voor winkels zonder koeling (80 kWh/m2) en met warenkoeling (150 kWh/m2), vraagt om meer onderzoek hoe deze functies exact verdeeld zijn over de twee gebouwtypen.
- Zorg is op koers met de WEii-klasse ‘Zuinig’, met een uitschieter naar boven voor de ziekenhuizen. Expertisecentrum Verduurzaming Zorg (EVZ) zegt zelf al tot lagere waarden te komen.
- Onderwijs en kinderopvang zijn eveneens goed op weg en komen uit op de klasse ‘Zuinig’. De gebouwen die al van het gas af zijn vallen ruim in de klasse ‘Paris Proof’.
- Bedrijfshallen zijn een brede groep. Eerder zijn de WEii-doelen voor deze sectoren aangescherpt, mede vanwege de mogelijkheid voor veel eigen energieopwekking op de platte daken. Volgens de data van het TNO-rapport van nu komen bedrijfsgebouwen nu uit op gemiddeld 69 kWh/m2. DGBC zal vanuit de BREEAM-NL-data een analyse starten van het energiegebruik van gecertificeerde logistieke panden.
Naar een datagedreven verduurzaming
Gelukkig groeit het besef dat het voor beleidsmakers, handhavers, eigenaren en gebruikers belangrijk is om een dashboard te hebben om de prestaties van gebouwen te meten, te monitoren en hierop te sturen. Niet alleen voor energie, maar ook voor een totaaloverzicht van de doorgevoerde maatregelen.
Bovendien krijgt het werkelijke energiegebruik een steeds grotere rol in wet- en regelgeving. Grote organisaties mogen vanuit de portefeuilleaanpak rapporteren op basis van werkelijk verbruik en er ligt een voorstel om de slechtst presterende gebouwen te beoordelen op basis van werkelijk gasverbruik. Vanuit EPBD IV moet een gebouwrenovatiepaspoort worden opgezet. Via Digi-GO en de Landelijke Voorziening Gebouwdata wordt gewerkt aan verdere centralisatie van gebouwdata. Voor het uitfaseren van de slechtste utiliteitsgebouwen werkt DGBC aan de route vanuit het werkelijk energiegebruik via het Datastelsel Verduurzaming Utiliteit (DVU). Ook banken hebben grote behoefte aan dergelijke informatie om inzicht te krijgen in de duurzaamheid van hun vastgoedportefeuille.

Wensen voor vervolgonderzoek en verankering
De recente Klimaat- en Energieverkenning (KEV) laat een minder positief beeld zien. Dat komt mede doordat de energiereducties in verschillende sectoren deels teniet worden gedaan door nieuwbouw. Het totale energiegebruik is minder omlaag gedaan dan het energiegebruik per vierkante meter. Vooral de groei van datacenters heeft een grote impact. De detailanalyse van TNO, gebaseerd op een groot aantal gebouwen, laat een positief beeld zien over het energiegebruik per vierkante meter. Sectoren zoals onderwijs en zorg, die hun eigen monitoring hebben ingericht, komen op basis van hun eigen data zelfs tot een nog lager gemiddeld energiegebruik. Maar het totale energiegebruik van de gebouwde omgeving is minder gedaald.
De verschillen roepen vragen op over hoe representatief de datasets zijn. Het is positief dat deze monitoring nu is uitgevoerd. De resultaten laten een duidelijke ontwikkeling zien. Tegelijkertijd zijn er nog vragen en ontbreekt er informatie.
Om tot goede analyses en benchmarks te komen, is vervolgonderzoek nodig voor:
- de gebouwtypen die nu nog ontbreken.
- de monitor die de voortgang volgt met de best beschikbare data van dat moment en streeft naar zoveel mogelijk uniformiteit (in sectorafbakening, meetgegevens energie, en daarop toegepaste databewerkingen).
Alleen dan ontstaat een totaaloverzicht van de voortgang van de energiereductie in de gebouwde omgeving. Dat is van belang voor de overheid om effectief beleid te voeren en te monitoren, voor sectoren om hun leden te ondersteunen en voor individuele eigenaren en gebruikers om te zien waar zij staan ten opzichte van wettelijke eisen, branchegenoten en langetermijndoelen.
DGBC heeft de TNO-data ingelezen in een monitoringstool.