Gepubliceerd: 24 februari 2026
Leestijd: 8 minuten

We hebben meer huizen nodig, maar die hoeven we niet allemaal te bouwen – liever niet, zelfs

Er moeten de komende jaren honderdduizenden woningen bijkomen, liefst op een duurzame manier. De Dutch Green Building Council spant zich in om dat in goede banen te leiden. Directeur Brigit Gerritse: ‘We kopen tijd door eerst te kijken naar wat we al hebben.’

Duurzaam bouwen is uiteindelijk vooral gebouwen maken waar mensen van houden. Kijk maar naar dit gebouw.’

We zitten in het Volkshotel, het oude Volkskrantgebouw aan de Wibautstraat in Amsterdam. Brigit Gerritse, algemeen directeur van de Dutch Green Building Council (DGBC), kijkt om zich heen. ‘Dit gebouw stond lang op de lijst om gesloopt te worden. Maar kijk nu eens. Achter jou zitten jongeren een broodje te eten, naast ons houden mensen een brainstormsessie op een groot vel papier. Aan de andere kant zit een meneer rustig te genieten.’

‘Architectonisch is het ook mooi. Er is veel licht, dat vinden mensen fijn.’ Ze wil maar zeggen: een gebouw wordt zowel bepaald door het ontwerp en de materialen als door wat erin gebeurt. Een voorbeeld? ‘Je kunt een huis wel supergoed isoleren, maar als de bewoners vervolgens de verwarming aanzetten en het raam open, heeft dat geen zin. Ook dat moet je meenemen in het ontwerp.’

Grote opgave voor de Dutch Green Building Council

Gerritse, die planologie studeerde en al haar hele werkzame leven met vastgoed bezig is, is nu ruim een jaar directeur van de Dutch Green Building Council. Leuk, maar niet altijd makkelijk, vindt ze. ‘Je moet mensen toch enthousiast houden over iets wat je pas in 2050 hoopt te bereiken: een volledig CO2-neutrale bouwsector.’

Wat niet helpt: de wooncrisis in Nederland heeft duurzaamheid lager op de agenda geplaatst. ‘We willen snel, snel, snel, en dan neem je niet altijd de beste beslissingen. De perceptie van de sector is verschoven van “duurzaamheid moet” naar “duurzaamheid moet, maar nu even niet”.’

Tot en met 2030 moeten er minstens 100.000 woningen per jaar worden gerealiseerd, al wordt dat streven al jaren niet gehaald. In theorie weten we hoe we die woningen duurzamer kunnen bouwen of renoveren. ‘Maar de politiek, en ook veel bouwbedrijven, aannemers, beleggers en architecten, zeggen over al die oplossingen: ze zijn te duur, of ze duren te lang. En voor beide hebben we geen tijd.’

Dat betekent een grote opgave voor de DGBC, de stichting die partners stimuleert en helpt om duurzamer te bouwen. De organisatie heeft een uitgebreide kennisbank en ontwikkelde onder meer een methode waarmee woningcorporaties gebouwen in hun portefeuille kunnen toetsen op klimaatrisico’s. Ook beheert ze BREEAM-NL, de certificeringsmethode om de duurzaamheid van gebouwen meetbaar te maken.

Er zijn zo’n 400 organisaties aangesloten bij de DGBC. Met welke argumenten krijg je hen mee?

‘Dat ligt eraan wie ik tegenover me heb. Je hebt meerdere argumenten nodig om verschillende partijen mee te krijgen. Van “bouw wat je wilt achterlaten voor volgende generaties” tot “als je niet klimaatbestendig bouwt, creëer je nu de stranded assets van de toekomst”.

Als mensen dan zeggen: “Ja, maar…” denk ik: ah, nou heb ik je. Dan gaan we díe hobbel proberen weg te nemen.

De uitdagingen zitten ‘m vooral in de uitvoering. Want meestal zijn we het er wel vrij snel eens over hoe een ideale stad eruit moet zien. Hittebestendig, met veel groen, ontmoetingsplekken voor mensen en bijvoorbeeld de mogelijkheid voor ouderen om lang zelfstandig te wonen.’

Waarom bouwen we zulke steden dan niet?

‘Zulke projecten zijn vaak niet goed schaalbaar. Als we 100.000 woningen per jaar willen realiseren, is ruimte de grootste uitdaging. Het duurzaamst is om locaties te zoeken binnen de bestaande stedelijke omgeving. Daar heb je al voorzieningen en infrastructuur. Maar er is ook beperkte ruimte.

Je hebt ook altijd te maken met tegengestelde belangen. Op papier is optoppen (extra verdiepingen bouwen op een bestaand gebouw, red.) bijvoorbeeld een goede oplossing. Het kost geen extra ruimte en zorgt voor relatief weinig CO2-uitstoot vergeleken met nieuwbouw. Maar puur economisch gezien is het soms aantrekkelijker om een gebouw te slopen en te vervangen door meer nieuwe woningen.’

Belonen de plannen van de nieuwe coalitie duurzame bouw? 

‘Ze gaan de goede richting uit, maar zijn niet concreet genoeg. Al snap ik dat wel, het is natuurlijk een minderheidscoalitie.

Maar kijk bijvoorbeeld naar water. Het gaat de komende jaren echt een probleem worden om alle nieuwe woningen aan te kunnen sluiten op het waternet. Voor die watercongestie worden geen concrete oplossingen geboden.

Als we nu zo veel bouwen, is het een gemiste kans om niet na te denken over de oplossingen. Anders is er straks ook geen water meer voor al dat groen dat we zo graag in wijken willen hebben.’

Hoe zien die oplossingen eruit?

‘We moeten anders bouwen. Bijvoorbeeld met de mogelijkheid hemelwater op te vangen en daarmee de wc door te spoelen. Zulke dingen worden nu vaak “bovenwettelijk” genoemd; dat helpt niet.

Veel oplossingen bevinden zich op gebouw- op wijkniveau, bijvoorbeeld het lokaal zuiveren van afvalwater. Maar ook de waterschappen kunnen een grote rol spelen. Zij hebben een goed beeld van de benodigde maatregelen per regio.’

Jullie willen de sector duidelijkheid bieden met een nieuwe Net Zero-standaard.

‘Veel partijen zijn wel bezig met verduurzamen, maar steken hun hoofd niet boven het maaiveld uit. Ik denk dat ze bang zijn dat anderen hen wijzen op wat ze nog beter hadden moeten doen. Wij willen één taal ontwikkelen, zodat je echt kunt zeggen: dit is een zo duurzaam mogelijk gebouw.

Zo’n standaard helpt partijen ook om naar banken of pensioenfondsen te stappen voor duurzame financiering. Ze kunnen aantonen dat hun plannen in lijn liggen met de huidige opvattingen over duurzaamheid. Maar het is nog best moeilijk om een standaard te ontwikkelen met een ambitieniveau waar iedereen het over eens is.’

Wat zie je als de grootste kansen tot 2030?

‘Er zijn enkele no regrets: dingen waar we sowieso geen spijt van krijgen. Die liggen vooral bij het benutten van de bestaande gebouwen. Woningen realiseren betekent niet per se woningen bouwen. Het kan ook optoppen, splitsen en transformeren zijn. Wat hebben we al aan gebouwde omgeving en wat willen we daarmee? Kijk bijvoorbeeld naar Overamstel, hier vlakbij; dat is van bedrijventerrein naar woonwijk gegaan.

Daarmee kopen we tijd voor onszelf, die we kunnen besteden aan bijvoorbeeld de ontwikkeling van prefab bouwen. Fabrieksmatig bouwen biedt veel kansen. Het is geschikt voor biobased materialen, en je kunt gebouwen zo produceren dat die op een later moment gemakkelijk uit elkaar gehaald kunnen worden.’

Waar in Nederland wordt de bestaande voorraad al goed benut?

Gerritse denkt lang na. ‘Interessante vraag. Nog interessanter dat ik niet meteen op een antwoord kan komen. Er is veel ambitie, maar nog weinig gerealiseerd.’

Later, per mail: ‘Zoetermeer is een goed voorbeeld. Woningcorporatie Vidomes heeft daar een voormalig zorgcentrum gerenoveerd. Aan de 60 appartementen is een extra woonlaag met 10 appartementen toegevoegd. In de volgende fase wordt het complex verder uitgebreid, met 22 optopwoningen en 45 aanplakwoningen.’

‘Optoppen gebeurt nog weinig, ook omdat de parkeernormen een groot probleem zijn. Bij nieuwe woningen moeten ook nieuwe parkeerplekken komen. Terwijl mensen liever een huis hebben dan een parkeerplaats.

Dat is een goed voorbeeld van hoe de maatschappij verandert. We hebben behoefte aan andere dingen dan vroeger. Dat zie je ook terug in de acceptatie van verschillende woonvormen, zoals wonen met vrienden en wonen bij een hospita. De regelgeving moet daarin meebewegen.’

Je vraagt ook vaak aandacht voor het sociale aspect van gebouwen. 

‘Als je gebouwen maakt waar mensen graag komen, kun je die heel lang gebruiken. Dat is niet alleen duurzaam, maar ook financieel interessant. Een plek zonder sociale meerwaarde heeft geen toekomst, en daarmee ook geen economische waarde.

Sociale cohesie is ook belangrijk als je bijvoorbeeld de buurt wilt verduurzamen. Dat verloopt veel soepeler in een sterke gemeenschap. Als je gehecht bent aan een plek, ben je toch eerder bereid daarin te investeren.’

Heb je hoop dat de bouwsector op tijd verduurzaamt om zijn doelen te halen?

Hope is not a strategy, alleen daarmee kom je er niet. Maar ik heb ook eens iemand horen zeggen: “Als Martin Luther King zijn speech I have a nightmare had genoemd, was die lang niet zo aantrekkelijk geweest.” Het is belangrijk om mensen een visie voor te schotelen. Dat maakt enthousiast.’

Je bent nog drie jaar directeur van de DGBC. Wat wil je nog bereiken?

‘Uiteindelijk wil ik dat we voor zowel bedrijfsleven als de politiek een voor de hand liggende vraagbaak zijn voor duurzaamheidsoplossingen in de bouwsector. De DGBC is tot nu toe een heel bescheiden club. We brengen mensen bij elkaar, ontwikkelen keurige standaarden en tools, maar lobbyen niet. Daarmee gaat het niet snel genoeg, merk ik. We mogen best een wat activistischere houding aannemen.’

Bron: https://www.change.inc/infra/we-hebben-meer-huizen-nodig-maar-die-hoeven-we-niet-allemaal-te-bouwen-liever-niet-zelfs