

In het kader van de operatie Omnibus van de Europese Commissie wordt de EU Taxonomie aangepast. Het doel is dat de EU Taxomonie eenvoudiger en werkbaarder wordt en beter aansluit op andere Europese regelgeving. DGBC heeft een analyse gemaakt van de aanpassingen die voorgesteld zijn op paragraaf 7.1 t/m 7.7 van de Climate Delegated Act en een reactie gegeven op de consultatie.
De wijzigingen sturen sterker op harmonisatie van de Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen oftewel Energy Performance of Buildings Directive (EPBD) zoals zero-emission building (ZEB-einddoel), breiden scope uit (lease/aankoop), verzwaren whole life carbon global warming potential (WLC-GWP) en biodiversiteit, verhogen circulariteitspercentages, terwijl meerdere do no significant harm (DNSH)-detailvereisten juist zijn versimpeld of verwijderd; Annex II adaptatie is geherstructureerd rond “significant risk” met expliciete monitoring.
10% energieverlaging voor nieuwbouw van bijna energieneutrale gebouwen (BENG) is vervangen door ZEB, waardoor deze aansluit bij de EPBD-IV. Ook ‘major renovation’ sluit nu aan op de nieuwe EPBD-definitie. Voor bestaande gebouwen (gebouwd vóór 2020) is de top 15% of label A blijven staan, maar daarnaast is een derde optie toegevoegd: 60% reductie in de afgelopen 10 jaar.
DGBC heeft vragen gesteld over de overgangsperiode waarin in Nederland nog geen ZEB‑doel is vastgesteld, en over welke alternatieve bewijslast kan dienen om de naleving aan te tonen. Daarbij zijn de Werkelijke Energie‑intensiteit Indicator (WEii), BREEAM‑NL en Carbon Risk Real Estate Monitor (CRREM) voorgesteld. Ook is voor bestaande bouw geadviseerd om over te gaan op ZEB in plaats van label A als ZEB beschikbaar is.
Ook hier wordt de koppeling gemaakt met de EPBD-IV. WLC-GWP wordt verplicht voor alle gebouwen, dus geen ondergrens meer en vanaf 1 januari 2028 volgens de EPBD-methodiek als deze ook ingevoerd wordt. Dit zorgt voor een strenger en breder toepassingsbereik en transparantieplicht, waar vanuit de EPBD dit vanaf 2028 alleen geldt voor gebouwen groter dan 1000 m2.
Er wordt voorgesteld de eis voor hergebruik of recycling van bouwafval aan te scherpen van 70% naar 85%. Hoewel DGBC voor strengere circulariteitseisen is, vinden we deze eis te streng. In de praktijk van BREEAM-NL-projecten zien we dat 80% hergebruik lastig haalbaar is. Het benadeelt volgens ons onbedoeld organisaties die juist in eerste instantie weinig afval produceren. Kleine afvalvolumes zijn vaak lastig te hergebruiken of te recyclen, terwijl het produceren van weinig afval al zou moeten aangeven dat een project goed presteert. Wij hebben er daarom in onze reactie voor gepleit om een aanvullend criterium of dat er een uitzondering kan worden geïntroduceerd, waarbij lage afvalproductie wordt erkend.
Het testen van luchtdichtheid en thermische integriteit was in de EU Taxonomy verplicht voor gebouwen die groter zijn dan 5000m2. De EC stelt voor om deze 5000m2 in de aangescherpte EU Taxonomy te verlagen naar 1000m2. DGBC heeft hier vragen gesteld over het proces en eisen voor alternatieve controlesystemen. En of BREEAM-procedures, die al goed bekend zijn in de markt, toegestaan zijn als alternatieve bewijs van compliance.
Er is een uitzondering toegevoegd bij bepaalde watercriteria voor woongebouwen. Verschillende detailregels, zoals het gemiddelde spoelvolume van toiletten zijn geschrapt. In de terminologie is overgegaan van ‘low-water’ naar ‘water-efficiënt’ met minder technische specificaties. Hier is al aan de EU gevraagd hoe dit bepaald mag worden en of er benchmarks zijn.
Er zijn meerdere materiaalemissie-eisen verwijderd, o.a. formaldehyde, limieten voor vluchtige organische stoffen (VOC’s) en carcinogenen. Ook eisen over het beperken van geluid, stof en verontreinigende stoffen tijdens de bouw zijn geschrapt. Bodemonderzoek op brownfields is juist sterker juridisch verankerd: er moet nu gebruik worden gemaakt van Artikel 15 van Directive (EU) 2025/2360. Dit moest voorheen gedaan worden met ISO 184000.
Er zijn eisen toegevoegd waar niet meer gebouwd mag worden. Het voorstel is om voortaan bouwen niet meer toe te staan op gronden die nu zijn aangemerkt als bos, grasland in Natura 2000 gebieden, moeras en veenland. Vooral veenland heeft grote impact in Nederland, aangezien bijna 10% van het Nederlandse grondgebied als veengrond gekarakteriseerd kan worden.
Ook is een mitigatie hiërarchie toegevoegd:
De CO2-afspraken van Parijs dwingen de bouwsector om de focus veel meer dan voorheen te richten op herontwikkelingsmogelijkheden in bestaand bebouwd gebied. Vanuit DGBC verkennen we de consequenties o.a. in de programma’s Eerlijk Wonen, klimaatadaptatie en biodiversiteit. We zijn heel blij met de mitigatiehiërarchie. Het niet meer bouwen op veenland hebben we wel aangekaart dat dit grote impact heeft in Nederland en of hier nog alternatieven of uitzonderingen op te maken zijn, waarbij de natuurwaarde behouden blijft en rekening wordt gehouden met de klimaatrisico’s van het gebied.
Bij meerdere installatie-activiteiten is de scope verbreed van alleen installatie, onderhoud en reparatie naar ook acquisitie, huur, lease en soms ook upgrades. Bijvoorbeeld bij EV-laadpunten, GBS-systemen en diverse duurzame energie- en opslaginstallaties.
In plaats van lange criteria in de hoofdtekst is er in het voorstel nu een directe verwijzing naar Appendix A opgenomen. De tabel met klimaatrisico-classificaties is verwijderd en er is meer verwijzing naar in de markt gebruikte tools. Ook dat roept vragen op welke tools en of te vele vrijheid niet tot verwarring leidt. Dat was de reden dat DGBC met de markt het Framework for Climate Adaptive Buildings heeft opgesteld. Risicoanalyse is vooral verplicht als screening ‘significant impact’ laat zien. Voor gebouwen met een korte verwachte resterende levensduur (≤10 jaar) moeten klimaatprojecties alleen gedaan worden ‘als beschikbaar en toepasbaar’. Een adaptatieplan blijft wel vereist bij geconstateerde hoge risico’s, maar met meer nadruk op kosten en baten en beschikbaarheid van maatregelen. De state-of-the-art en IPCC-verwijzingen zijn afgezwakt of verwijderd. Monitoring is explicieter als aparte stap opgenomen. Een extra onderdeel dat toegevoegd is, is ‘enabling activity’ – wanneer iets als enabling kan gelden.
Voor dit onderdeel hebben we vanuit DGBC voornamelijk vragen gesteld ter verduidelijking en hoe compliance aangetoond kan worden.
Het doel van de herziening is dat de EU Taxonomie eenvoudiger en werkbaarder wordt. Eefje Stutvoet, programmamanager DGBC: “Als DGBC zien we afstemming met EPBD IV, wat goed is. Maar omdat veel regelgeving, zoals de ZEB-norm nog niet bekend zijn maakt dat de overgang tot 2030 nog wel lastig. Wel zien we in het voorstel van de Commissie alternatieve routes om compliance aan te tonen. Dat betekent waarschijnlijk dat partijen die gebruik maken van BREEAM-NL die certificering kunnen opvoeren als bewijs van compliance met de EU Taxonomy, wat de administratieve lastendruk voor organisaties daadwerkelijk verlaagt. Maar hierin is nog wel verduidelijking nodig wat wel en niet mag. DGBC ziet hier een rol in. Eerder zijn de Nederlandse interpretaties van de Taxonomie opgesteld en beschikbaar gesteld.
De BREEAM-NL richtlijnen bieden momenteel al houvast aan een project om de van behaalde EU Taxonomie criteria, te verifiëren, bekrachtigd met een EU Taxonomie Verklaring. Lidewij Hiestand, projectmanager DGBC binnen het certificeringsteam, bevestigt: “De voorgestelde wijzigingen zullen zodra ze daadwerkelijk zijn vastgesteld en aangenomen ook worden doorvertaald naar de BREEAM-NL-richtlijnen, zodat BREEAM-NL als handvat kan blijven dienen om de criteria van de EU Taxonomie in te vullen en aantoonbaar toe te passen in projecten.”



















